1. Het college kan een belanghebbende een tegenprestatie opdragen. 2. Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met de volgende factoren: a. de belanghebbende moet de tegenprestatie naar vermogen kunnen verrichten; b. de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende worden in aanmerking genomen; c. de wensen van de belanghebbende ten aanzien van de inhoud van de tegenprestatie, waaronder begrepen een eventueel voorstel voor wat betreft de inhoud van de tegenprestatie van de belanghebbende zelf.