Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 3

Het maken van een afweging

Onderdeel van Beleidsregels Voorzieningen Maatschappelijke Ondersteuning Steenbergen 2015

De Wmo heeft tot doel dat inwoners zelfredzaam zijn en kunnen participeren in de samenleving voor zover hun beperkingen (op lichamelijk, psychosociaal, psychiatrisch gebied) dat toestaan. Het merendeel van de inwoners is in staat om zelfstandig op volwaardige wijze deel te nemen aan de samenleving. Soms is dit echter als gevolg van beperkingen niet mogelijk. Om te borgen dat zelfredzaamheid en participatie nooit uit het oog verloren worden, werken we in de uitvoering van de Wmo volgens een vaste aanpak. Deze aanpak bestaat eruit dat in een vastgestelde volgorde wordt gezocht naar oplossingen voor zelfredzaamheid en participatie. Eigen Kracht Sociaal Netwerk Vrijwilligers Algemeen gebruikelijke voorzieningen Algemene Voorzieningen Maatwerkvoorzieningen 1. Eigen Kracht Één van de uitgangspunten van de Wmo is de eigen kracht van mensen. Wij verwachten dat inwoners in eerste instantie zelf, zonder hulp van professionals, een oplossing organiseren voor belemmeringen die zij in hun deelname aan de maatschappij tegenkomen. Soms hebben zij hierbij toch ondersteuning nodig, maar ook dan doen we een beroep op de aanwezige eigen kracht. Die eigen kracht kan per persoon verschillen. Eigen kracht is niet alleen de eigen kracht van een persoon zelf, maar ook de eigen kracht die in de samenleving aanwezig is. Bijvoorbeeld binnen het sociale netwerk van die persoon of bij vrijwilligersorganisaties. Er bestaat geen aanspraak op ondersteuning als redelijkerwijs van cliënt zelf of van zijn sociale netwerk kan worden verwacht dat zij bij kunnen dragen aan het bereiken van het resultaat. Eigen kracht kan ook betekenen dat, wanneer iemand aanspraak kan maken op een voorziening op grond van een andere wet, de gemeente in het kader van de eigen kracht geen voorziening op grond van de Wmo hoeft te verstrekken. Het uitgangspunt is dan namelijk dat de cliënt op eigen kracht het probleem op kan lossen, namelijk door zijn aanspraak op grond van de andere wet tot gelding te brengen. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer: Er behandeling en/of training vanuit de Zvw mogelijk is; Algemeen maatschappelijk werk kan worden ingeschakeld voor de door cliënt ervaren problemen; arbeidsre-integratie. 2. Sociaal Netwerk Zoals hierboven beschreven verwachten wij dat inwoners in eerste instantie zelf, zonder hulp van professionals, een oplossing organiseren voor belemmeringen die zij in hun deelname aan de maatschappij tegenkomen. Indien de eigen kracht van een inwoner niet voldoende is (bijvoorbeeld door een beperking) of als de problematiek van dien aard is dat een inwoner dat niet alleen kan oplossen zal in eerste instantie een beroep gedaan worden op het sociaal netwerk van de inwoner. Het sociale netwerk kan bestaan uit familieleden, bekenden, buren et cetera. Er bestaat geen aanspraak op ondersteuning als redelijkerwijs van cliënt zelf of van zijn sociale netwerk kan worden verwacht dat zij bij kunnen dragen aan het bereiken van het resultaat. Mantelzorg Mantelzorg is zorg die wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de zorg niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt verleend. Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) zorg in zwaarte, duur en of intensiteit aanmerkelijk overschreden. Mantelzorg komt na gebruikelijke zorg. Om een mantelzorger te ondersteunen kan een beroep worden gedaan op de Wmo. Dit betekent dat bij dreigende overbelasting van de mantelzorger, ondersteuning kan worden geboden. 3. Vrijwilligers Wanneer ook binnen het sociale netwerk geen oplossingen gevonden (kunnen) worden, zal de blik worden gericht op de inzet (en eventuele extra ondersteuning) van vrijwilligers. Binnen de Wmo vormen vrijwilligers een bijzondere groep. Vrijwilligers Naast ondersteuning door mantelzorgers kan er ook ondersteuning door vrijwilligers worden gegeven. Daar waar mantelzorg wordt geboden door iemand uit de directe omgeving van de cliënt, kan een vrijwilliger iemand zijn die voor de start van het vrijwilligerswerk, geen band had met de cliënt. De gangbare definitie van vrijwilligerswerk is "werk dat in enig georganiseerd verband, onverplicht en onbetaald wordt verricht ten behoeve van anderen of de samenleving". Een vrijwilliger ondersteunt de cliënt bij/met dagelijkse zaken, zoals bijvoorbeeld boodschappen doen en meegaan naar een ziekenhuisafspraak. 4. Algemeen gebruikelijke voorzieningen Wat "algemeen gebruikelijk" is, wordt afgemeten aan de algemeen maatschappelijke normen. Het gaat om voorzieningen die door (welhaast) een ieder, tot welke bevolkingslaag hij ook behoort, worden aangeschaft. Een algemeen gebruikelijke voorziening wordt niet vergoed, als: De voorziening niet speciaal voor een persoon met beperkingen bedoeld is; de voorziening niet aanzienlijk duurder is dan een voorziening met hetzelfde doel; de voorziening in de reguliere handel verkrijgbaar is, en de voorziening voor een persoon zonder beperkingen, in een financieel vergelijkbare positie, tot het normale aanschaffingspatroon zou worden gerekend. Bij de bepaling van wat algemeen gebruikelijk is, wordt gelet op het individualiseringsprincipe. Het komt er bij het criterium “algemeen gebruikelijk” op aan ruimte te laten voor de individuele afweging. Er kunnen zich situaties voordoen waarbij het toepassen van het “algemeen gebruikelijk” criterium, tot onbillijkheden leidt. Als het gaat om de financiële mogelijkheden van cliënt moet wel onderzocht worden wat de mogelijkheden vanuit andere regelingen zijn om voor een dergelijke voorziening in aanmerking te kunnen worden gebracht. 5. Algemene Voorzieningen Wanneer ook met inzet of extra ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers geen oplossing gevonden wordt/kan worden, wordt bekeken welke algemene voorzieningen van dienst kunnen zijn. Algemene voorzieningen zijn voor iedereen toegankelijke vormen van zorg en ondersteuning, vaak gesubsidieerd door de gemeenten. Hierbij moet getoetst worden of de oplossing via een algemene voorziening: Daadwerkelijk beschikbaar is. Door de cliënt naar verwachting financieel haalbaar is, en of deze een adequate compensatie biedt. Wanneer een algemene voorziening voldoende ondersteuning biedt en leidt tot het beoogde resultaat, wordt er geen ondersteuning geboden via een maatwerkvoorziening. Dit omdat de algemene voorziening de ondersteuningsvraag van cliënt dan al beantwoord heeft. Bij algemene voorzieningen gaat het om direct of uit voorraad beschikbare voorzieningen die met een minimum aan bureaucratie kunnen worden verstrekt. Voorbeelden zijn: dagrecreatie voor ouderen; sociale alarmering; plusbus, supermarktservice, de (vrijwillige) boodschappenhulp/boodschappendienst; maaltijdenservice en het eetcafé; klusjesdiensten om kleine woningaanpassingen te realiseren zoals een conciërge van woongebouwen, de klussendienst; (ramen)wasservice/ glazenwasser; rolstoel- en scootmobielpools voor incidenteel gebruik; kinderopvang in al zijn verschijningsvormen (crèche, oppascentrale kinderdagverblijf, overblijfmogelijkheden op school). 6. Maatwerkvoorzieningen Als tijdens het onderzoek blijkt dat de belemmering van cliënt niet of gedeeltelijk wordt opgelost door middel van eigen kracht en/of het sociale netwerk en/of voorliggende voorzieningen, is er ten slotte nog de mogelijkheid om maatwerkvoorzieningen te verstrekken, toegespitst op de specifieke situatie van cliënt, om maatschappelijke participatie mogelijk te maken. Een maatwerkvoorziening kan zijn: 1. Een voorziening of 2. Ondersteuning Beiden kunnen door middel van zorg in natura  of pgb worden ingezet. In deze beleidsregels worden (rand)voorwaarden en richtlijnen met betrekking tot maatwerkvoorzieningen geboden die kunnen worden ingezet om het resultaat te bereiken. Dit betreft geen limitatieve opsomming en daarnaast kan hier gemotiveerd van worden afgeweken. Het gaat ten slotte om maatwerk, toegespitst op de specifieke situatie van cliënt. De (rand)voorwaarden om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening worden niet meer (zoals voorheen) beoordeeld vooraan in het Wmo-traject, maar pas wanneer duidelijk is dat een maatwerkvoorziening ingezet moet worden om de maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid te behouden of te vergroten. Wanneer een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, wordt beoordeeld waar deze voorziening aan moet voldoen en wat eventueel de (rand)voorwaarden van deze maatwerkvoorziening zijn. Individueel gericht Een maatwerkvoorziening kan slechts worden toegekend voor zover deze in overwegende mate op het individu is gericht. Ook collectieve voorzieningen zijn in overwegende mate op het individu gericht maar worden toch door meerdere personen tegelijk gebruikt. Tot nu toe is het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV), voor mensen die vanwege een beperking geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer, het meest duidelijke voorbeeld van een collectieve voorziening. Bij beperkingen op het gebied van vervoer ligt het primaat bij het collectief vervoer. Dat wil zeggen dat wanneer men geen gebruik kan maken van het reguliere openbaar vervoer, men in aanmerking kan komen voor een Wmo-pas voor de Deeltaxi. Langdurig noodzakelijk Een maatwerkvoorziening kan slechts worden toegekend voor zover deze langdurig noodzakelijk is om de belemmeringen op te heffen of te verminderen, die zich voordoen tijdens deelname aan de maatschappij en/of het zelfstandig wonen. Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan, in tijd uitgedrukt, gaan om enkele maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium verkeren. Tijdelijk maatwerk is dan noodzakelijk. Het kan ook gaan om een geheel mensenleven, in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is. Kenmerk is in beide genoemde situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap op het moment van de melding, onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de cliënt. In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat de cliënt na enige tijd zonder de benodigde ondersteuning kan functioneren, dan mag men van kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de beperking(en) van voorbijgaande aard is (zijn), in principe niet voor ondersteuning via de Wmo in aanmerking komt. Cliënt kan onder andere een beroep doen op de hulpmiddelendepots van de thuiszorgorganisaties die opgezet zijn in het kader van de Zvw. Voor de uitleen van een hulpmiddel moet een indicatie worden vastgesteld door de thuiszorgorganisaties. Op het moment dat er een indicatie is voor een hulpmiddel kan de cliënt het hulpmiddel voor 13 weken lenen. Na de deze 13 weken wordt gekeken of het hulpmiddel langdurig nodig is. Is het hulpmiddel nog nodig, maar naar verwachting voor minder dan (nogmaals) 13 weken, wordt de periode van uitleen verlengd tot maximaal 26 weken. Is het hulpmiddel langer dan 26 weken nodig, dan kan cliënt een melding indienen bij de Wmo. Wanneer een hulpmiddel vanuit de thuiszorgorganisatie niet voldoende toereikend is (bijvoorbeeld vanwege specifieke aanpassingen) dient onderzocht te worden in hoeverre er vanuit de Wmo ondersteuning geboden moet worden. Waar precies de grens tussen kortdurend en langdurig ligt verschilt per situatie. In uitzondering op "langdurig noodzakelijk" kan een voorziening voor kortdurende noodzaak worden toegekend als het gaat om kortdurende hulp bij het huishouden dan wel spoedeisende hulp en/of  begeleiding. Voorbeelden van een situatie waarin voor een afzienbare periode hulp bij het huishouden nodig is, is bij ontslag uit het ziekenhuis of bij een ontregeld huishouden. Goedkoopst adequaat Een maatwerkvoorziening kan slechts worden toegekend voor zover deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt. Het criterium goedkoopst adequaat betekent dat een te verstrekken maatwerkvoorziening allereerst adequaat moet zijn en moet leiden tot het resultaat. Een maatwerkvoorziening is adequaat wanneer de effecten van een beperking op de (maatschappelijke) participatie en de zelfredzaamheid weggenomen worden. Zijn meerdere maatwerkvoorzieningen/oplossingen adequaat, leiden meerdere maatwerkvoorzieningen naar het te bereiken resultaat en passen meerdere maatwerkvoorzieningen bij de ondersteuningsvraag van de cliënt, dan wordt uit die maatwerkvoorzieningen/oplossingen voor de goedkoopste maatregel gekozen. Het gaat dan om de maatwerkvoorziening die voor het college het goedkoopst is. Er wordt altijd rekening gehouden met de (sociale) factoren die bij de cliënt spelen en de resultaatgerichtheid van de maatwerkvoorziening blijft centraal staan. Niveau van de maatwerkvoorziening De verplichting om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat niet zover dat de cliënt in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De gevraagde ondersteuning dient in een redelijke verhouding te staan tot wat de situatie van de cliënt was voor hij ondersteuning nodig had (MvT Wmo 2015, blz. 23, 1e alinea). Duurdere voorziening Het is mogelijk om een maatwerkvoorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening, mits de cliënt bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Als aanvulling hierop kan gezegd worden dat de cliënt dit zelf dient af te stemmen met de leverancier van de voorziening of de aannemer die de aanpassing gaat uitvoeren. Uitgangspunt is dat de duurdere uitvoering, de extra accessoires of de aanpassingen geen gevolgen mogen hebben voor het herverstrekken of opnieuw in bruikleen verstrekken van de voorziening en de voorziening hiermee voldoende adequaat blijft. Zo zullen aanpassingen aan het frame van een rolstoel in de regel niet worden toegestaan, omdat dit gevolgen heeft voor de herverstrekbaarheid van de voorziening. Bovendien zal met deze voorziening het resultaat moeten worden bereikt en zal de voorziening moeten voldoen aan het tijdens het onderzoek opgestelde programma van eisen.

Rechtspraak bij dit artikel