**1..** Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
voorgevelrooilijn zijn geplaatst.
**2..** Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:
de
gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de
afwijking
genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is
verleend;
in
de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin
de
afwijking
genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover het
bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is
geplaatst;
in
de gevallen, bedoeld in het derde
lid.
**3..** Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de
knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter
bevinden, moet de bebouwing op de hoeken - over een hoogte op
een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil
- worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de
daardoor onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2
m2 behoeft te zijn.
**4..** Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor:
gebouwen
behorende tot een complex van
gebouwen;
gebouwen
op handels- en
industrieterreinen;
vrijstaande
enkele of dubbele
eengezinshuizen;
bijgebouwen,
anders dan de in artikel 2,
onderdeel 3, of artikel 3,
onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
omgevingsrecht
bedoelde gebouwen;’
gebouwen
ten dienste van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
daaronder begrepen, en de daarbijbehorende
woningen;
gedeelten
van naar de weg gekeerde
gevels;
gevallen,
waarin de welstand bij het
toestaan
van de
afwijking
is gebaat.