In dit statuut wordt verstaan onder:
Autorisatie Een zelfstandige, inhoudelijke afweging waarbij de
overwegingen hiervan schriftelijk zijn vastgelegd.
Belegging Het uitzetten van eigen vermogen en andere financiële
middelen voor een periode van minimaal één jaar.
Derivaten Financiële instrumenten die hun bestaan ontlenen aan
een bepaalde onderliggende waarde, zoals aandelen, leningen en
obligaties. Belangrijke derivaten zijn: opties, futures en
swaps. Derivaten worden onder andere gebruikt om renterisico’s
te sturen en financieringskosten te minimaliseren.
Drempelbedrag Het bedrag van de overtollige middelen dat buiten
de schatkist gehouden mag worden. Het drempelbedrag is gelijk
aan 0,75 % van de jaarlijkse begrotingsomvang met een maximum
van € 500 miljoen.
Financiële instelling Een instelling als bedoeld in artikel 1,
onder c, van de Regeling uitzettingen en derivaten decentrale
overheden.
Financiering Het aantrekken van benodigde financiële middelen
voor een periode van minimaal één jaar. Deze middelen kunnen
bestaan uit zowel eigen vermogen als vreemd vermogen.
Financieringsplanning Een langjarige prognose van in- en
uitgaande geldstromen, voortvloeiende uit de gemeentelijke
investeringen, verstrekken van leningen aan derden en de
financiering daarvan en de belegging van overtollige
middelen.
Garantie Een borgstelling waarbij de gemeente zich tegenover een
geldverstrekker verbindt een of meerdere vorderingen van een
geldverstrekker op een debiteur te voldoen indien de debiteur
niet aan zijn betalingsverplichtingen voldoet.
Geldstromenbeheer Al die activiteiten die nodig zijn om
liquiditeiten te transfereren zowel binnen de organisatie zelf
als tussen de organisatie en derden (betalingsverkeer).
Intern liquiditeitsrisico De risico’s van mogelijke wijzigingen
in de liquiditeitenplanning en meerjaren investeringsplanning
waardoor financiële resultaten kunnen afwijken van de
verwachtingen.
Intradaglimiet Het maximale bedrag dat de gemeente per dag van
de werkrekening schatkistbankieren ten laste van de
rekening-courant bij de schatkist kan opnemen.
Kasbeheer Het beheer van de geldstromen en de daaruit
voortvloeiende saldi en liquiditeitsposities tot één jaar.
Kasgeldlening Opname of uitzetting van geldmiddelen voor korte
termijn (van 1 week tot 12 maanden).
Kasgeldlimiet Een bedrag op basis van de Wet fido ter grootte
van een percentage (8,5%) van het totaal van de jaarbegroting
van de gemeente bij aanvang van het jaar.
Koersrisico Het risico dat de financiële activa van de
organisatie in waarde verminderen door negatieve
koersontwikkelingen.
Kredietrisico De risico’s op een waardedaling van een vordering
ten gevolge van het niet (tijdig) na kunnen komen van de
verplichtingen door de tegenpartij.
Liquiditeitenbeheer Het aantrekken en uitzetten van middelen
voor een periode tot één jaar.
Liquiditeitenplanning Een gestructureerd overzicht van de
toekomstige inkomsten en uitgaven ingedeeld per
tijdseenheid.
Liquiditeitspositie Het totaal van de rekening-courantsaldi,
kasgeld- en daggeldgeldleningen.
Medium Term Note Verhandelbare schuldbekentenis als onderdeel
van een obligatielening, uitgegeven door een overheid.
Onderhandse geldleningen Leningen waarbij de voorwaarden van de
lening in onderling overleg met de geldgevende partij wordt
vastgesteld.
Publieke taak Gemeenten kunnen uitsluitend leningen aangaan,
middelen uitzetten en garanties verlenen voor de uitoefening van
de publieke taak. De Wet fido geeft aan het begrip publieke taak
een beperkte invulling. Bankactiviteiten, zoals het aantrekken
en uitzetten van middelen met als doel het genereren van
inkomen, worden hiertoe niet gerekend en zijn verboden.
Overigens is het de raad van de gemeente die het kader van de
publieke taak, binnen de normen van de Wet fido, bepaalt.
Rating De inschatting van de kans op eventuele wanbetalingen bij
toekomstige rente- en aflossingsbetalingen op schuldpapier.
Relatiebeheer Het onderhouden van relaties met partijen die
actief zijn op de financiële markten, waaronder banken en
geldmakelaars.
Renterisico Het gevaar van ongewenste veranderingen van de
(financiële) resultaten van de gemeente door
rentewijzigingen.
Renterisiconorm De norm waarmee de vaste schuld – verminderd met
verstrekte leningen – jaarlijks maximaal een renteherziening mag
ondergaan. Voor gemeenten bedraagt de renterisiconorm 20% van
het begrotingstotaal. Bedoeling van de renterisiconorm is het
vermijden van renteschokken. Gemeenten die – per saldo – een
schuld lager dan € 2,5 miljoen hebben, zijn vrijgesteld van deze
verplichting.
Rentetypische looptijd Het tijdsinterval gedurende de looptijd
van een geldlening, waarin op basis van de voorwaarden van de
geldlening sprake is van een door de verstrekker van de
geldlening niet beïnvloedbare, constante rentevergoeding.
Rentevisie Toekomstverwachting over de rente-ontwikkeling.
Ruddo Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden
.
Saldobeheer Het beheer van de dagelijkse saldi op de
rekeningen.
Schatkistbankieren Het aanhouden van overtollige middelen in de
schatkist bij het ministerie van Financiën.
Solvabiliteit De mate waarin de organisatie op lange termijn aan
zijn financiële verplichtingen kan voldoen. Het betreft het
eigen vermogen versus het totaal vermogen.
Treasuryfunctie De treasuryfunctie omvat alle activiteiten die
zich richten op het besturen en beheersen van, het verantwoorden
over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden,
de financiële stromen, de financiële posities en de hieraan
verbonden risico’s. De treasuryfunctie bestaat uit drie
deelfuncties: risicobeheer, gemeentefinanciering en
kasbeheer.
Ufdo Uitvoeringsregeling Wet financiering decentrale
overheden.
Uitzetting Het tijdelijk toevertrouwen van liquiditeiten aan
derden tegen vooraf overeengekomen condities en bedingen.
Kortlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode tot
één jaar en langlopende uitzettingen hebben betrekking op een
periode van één jaar of langer.
Vaste schuld Schuldtitels met een looptijd van minimaal één jaar
en één dag.
Vlottende schuld Schuldtitels met een looptijd van maximaal één
jaar.
Wet fido Wet financiering decentrale overheden