Naar hoofdinhoud
1. De accountant bepaalt binnen het kader van de opdrachtverlening de wijze waarop de accountantscontrole wordt ingericht, alsmede de aard en de omvang van de daarbij behorende werkzaamheden. 2. De accountant bepaalt binnen het kader van de opdrachtverlening de frequentie van de uit te voeren controles. De accountant kan in voorkomende gevallen de controlewerkzaamheden zonder voorafgaande kennisgeving uitvoeren. In onderling overleg en rekening houdende met de raadsagenda worden de tijdstippen van aanvang en rapportering jaarlijks bepaald. 3. Ter bevordering van een efficiënte en doeltreffende accountantscontrole vindt periodiek (afstemmings-)overleg plaats tussen tenminste de accountant, de auditcommissie, de portefeuillehouder financiën en de controller. 4. Voor de uitvoering van de controle wordt jaarlijks door de accountant een controleplan opgesteld in overleg met de controller. 5. Indien de raad dit wenst, wordt de accountant uitgenodigd om in een bijeenkomst van de auditcommissie of een RTG informatie te verstrekken en vragen te beantwoorden.

Rechtspraak bij dit artikel