Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 31

lid 1

Onderdeel van Beleidsregel "Omgaan met afval in de bodem"

Het is verboden afvalstoffen op te slaan of opgeslagen te hebben op een voor het publiek zichtbare plaats in de open lucht en buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of op een andere wijze waardoor overlast of schade aan de openbare gezondheid zou kunnen ontstaan. Dit betekent dat, op basis van artikel 10.2 Wm een veroorzaker kan worden aangesproken het afval dat in de bodem is gebracht te verwijderen. Het ligt voor de hand deze aansprakelijkheid te koppelen aan de inwerkingtreding van de afvalstoffenwetgeving. De Wet chemische afvalstoffen dateert van 1976, de Afvalstoffenwet uit 1977. Dit ligt dicht bij het uit de bodemregelgeving bekende jaartal van 1975, waardoor om praktische redenen wordt gekozen voor aansluiting bij dit jaartal. Een veroorzaker wordt daarmee alleen na 1975 aangesproken het afval te verwijderen. Als er geen veroorzaker is aan te wijzen, is het de vraag of de eigenaar daarvoor kan worden aangesproken. Dit ligt wat genuanceerder. Daarvoor moet er sprake zijn van een zorgplicht overtreding uit de Wet bodembescherming c.q. Wet milieubeheer dan wel de gemeentelijke verordening. Dit kan echter alleen als de bodem verontreinigd is of dreigt te raken. Beleid Aangezien het om interpretatie van wetgeving gaat, is er geen eenduidig antwoord op de vraag hoe met deze materie om moet worden gegaan en ligt hier een rol voor de beleidsmatige invulling. Landelijk zijn er diverse notities verschenen, maar is er geen uniformiteit. Hieronder wordt voor verschillende situaties een beleidslijn vastgelegd. Gemeentelijke beleidslijn A. Veroorzaker bekend en veroorzaking na 1975: Afval geheel verwijderen door de veroorzaker, ongeacht of de bodem verontreinigd is. B. Veroorzaker bekend en veroorzaking voor 1975. De veroorzaker gaat vrijuit als hij geen eigenaar meer is van het perceel. Een eigenaar kan nog wel een verantwoordelijkheid hebben. In deze gevallen wordt onderscheid gemaakt of de bodem wel of niet verontreinigd is: B1. Bodem is niet/licht verontreinigd (beneden T-waarde) Verondersteld wordt dat als het afval nog niet tot verontreiniging heeft geleid, dat dan in de toekomst ook wel mee zal vallen. Aan de eigenaar van het terrein kan dit worden meegedeeld met een advies (geen verplichting) om via enkele peilbuizen op het terrein de grondwaterkwaliteit in de gaten te houden. Het afval hoeft niet te worden verwijderd. B2. Bodem is matig/sterk verontreinigd (boven T-waarde). Conform Wbb regels bodem (grond en/of grondwater) saneren dan wel beheren. Afval (als bron) moet verwijderd worden door de eigenaar. De sanering kan functiegericht plaatsvinden. C. Veroorzaker niet bekend en veroorzaking na 1975 De veronderstelling, dat als het afval nog niet tot verontreiniging heeft geleid, dat dan in de toekomst ook wel mee zal vallen, gaat hier niet altijd op. Het maakt uit of het afval er bijvoorbeeld sinds 1976 ligt of sinds 2007. Als het afval er net ligt, is het nog onbekend of de bodem vervuild kan worden. In theorie kan de eigenaar verplicht worden het afval te verwijderen omdat het de bodem zou kunnen verontreinigen. In de praktijk moet het risico van bodemverontreiniging wel aannemelijk te maken zijn, anders ontstaan er problemen bij de handhaving. Dit ligt relatief eenvoudig bij een accu of koelkast in de grond, maar dit zal bij andere soorten afval (puin) lang niet altijd het geval zijn. De lijn “bij twijfel niet inhalen’ wordt gehanteerd: zolang er geen bodemverontreiniging wordt geconstateerd, of het risico op een bodemverontreiniging onvoldoende aannemelijk gemaakt kan worden, wordt de eigenaar niet verplicht het afval te verwijderen. Let op, een bodemverontreiniging van na 1987 kan niet functiegericht worden gesaneerd. Ook afval dat bijvoorbeeld dieper ligt dan 1 meter moet dan verwijderd worden als zijnde de bron van de verontreiniging. Afval (als bron) moet verwijderd worden door de eigenaar. Ook een risico-aanpak (alleen dat deel weghalen dat de risico’s veroorzaakt) kan alleen als er de veroorzaking voor 1987 heeft plaatsgevonden. D. Veroorzaker niet bekend en veroorzaking voor 1975. In deze gevallen wordt onderscheid gemaakt of de bodem wel of niet verontreinigd is: D1. Bodem is niet/licht verontreinigd (beneden T-waarde). Verondersteld wordt dat als het afval nog niet tot verontreiniging heeft geleid, dat dan in de toekomst ook wel mee zal vallen. Aan de eigenaar van het terrein kan dit worden meegedeeld met een advies (geen verplichting) om via enkele peilbuizen op het terrein de grondwaterkwaliteit in de gaten te houden. Het afval hoeft niet te worden verwijderd. D2. Bodem is matig/sterk verontreinigd (boven T-waarde) . Conform Wbb regels bodem (grond en/of grondwater) saneren dan wel beheren. Afval (als bron) moet verwijderd worden door de eigenaar. Een sanering kan functiegericht plaats vinden. Maatschappelijke verantwoordelijkheid De gemeente heeft vaak in het verleden zelf afval in de bodem gebracht via dempingen. De gemeente ziet voor zichzelf geen andere positie dan andere veroorzakers: als het afval voor 1975 in de bodem is gebracht is zij niet gehouden dit afval te verwijderen, tenzij de bodem is verontreinigd. Als de bodem is verontreinigd, dan zal de gemeente een sanering ter hand nemen als dat op basis van de Wbb aan de orde is. Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Almelo, De secretaris, de burgemeester,

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel