Naar hoofdinhoud
Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Participatiewet gemeente Midden-Delfland 2015’. Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 26 mei 2015. De raad voornoemd. De griffier, de voorzitter, A.de Vos, A.J. Rodenburg ALGEMENE TOELICHTING Artikel 17, lid 1 van de Participatiewet schrijft voor dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of op het recht op bijstand. Wanneer de belanghebbende deze informatie niet (tijdig) verstrekt is sprake van schending van de inlichtingenplicht. Op 1 januari 2013 is de ‘Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving’ (hierna: ‘Fraudewet’) in werking getreden. Met deze wet krijgt het college de plicht om een boete op te leggen indien sprake is van schending van de inlichtingenplicht. De eerdere bevoegdheid om in deze situatie een maatregel op te leggen, is hiermee verdwenen. De hoogte van de boete is in geval van schending van de inlichtingenplicht maximaal gelijk aan het bedrag dat de belanghebbende te veel aan bijstand heeft ontvangen. Sinds de invoering van de Fraudewet op 1 januari 2013 werd in beginsel een boete opgelegd van 100% van het schadebedrag. Uit de uitspraak van 24 november 2014 van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt echter dat alleen een boete van 100% kan opgelegd worden als opzet is bewezen. In overige situaties dient de boete lager te worden vastgesteld, waarbij uitgegaan moet worden van de volgende boetepercentages: bij grove schuld 75% van het schadebedrag; overige situaties 50% van het schadebedrag; en bij verminderde verwijtbaarheid 25% van het schadebedrag. Verder oordeelt de CRvB in haar uitspraak dat boetes de niet hoger mogen zijn dan de boetes zoals in het strafrecht (art. 23, vierde lid Wetboek van Strafrecht) is vastgelegd. Dit betekent dat in het geval er sprake is van opzet de boete maximaal € 81.000,- kan bedragen. In alle overige gevallen (waaronder in geval van grove schuld) bedraagt de maximale boete € 8.100,-. Met zijn brief van 16 december 2014 verzoekt de minister de uitvoeringsinstanties, vooruitlopend op aangepaste wetgeving, in lijn met deze uitspraak te handelen. Het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) is verplicht de bestuurlijke boete met de lopende uitkering te verrekenen. Bij deze verrekening moet in beginsel de bescherming van de beslagvrije voet in acht genomen worden. Is sprake van het bij herhaling schenden van de inlichtingenplicht (zogenaamde recidive) dan wordt de bestuurlijke boete in beginsel verhoogd tot maximaal 150% van het teveel ontvangen bedrag. Op dit bedrag wordt het boetepercentage toegepast dat voortkomt uit beoordeling van de mate van verwijtbaarheid (100% bij opzet tot 25% bij verminderde verwijtbaarheid). Naast deze verhoging bij recidive heeft het college ook de bevoegdheid om in de eerste drie maanden na het opleggen van de boete de bijstand volledig te verrekenen met de openstaande boetevordering. De beslagvrije voet kan dus voor maximaal drie maanden buiten werking worden gesteld. In eerste instantie had de wetgever voorzien in een plicht tot volledige verrekening van de boete bij recidive. Bij amendement is deze verplichting omgezet in een bevoegdheid, zodat de gemeente de mogelijkheid heeft daar waar volledige verrekening onwenselijke effecten heeft (bijvoorbeeld hogere maatschappelijke kosten vanwege uithuisplaatsing) de verrekening aan te passen dan wel bij de verrekening de beslagvrije voet wel te hanteren. De Participatiewet verplicht de gemeenteraad in een verordening nadere regels te stellen over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij verrekening van de recidiveboete. Door het vastleggen van regels ontstaat ruimte een afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin het buiten werking stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt geacht. Het kan voorkomen dat het college het verzoek krijgt van een andere gemeente om een door hen opgelegde boete te verrekenen (zogenaamde pseudoverrekening). In deze gevallen is het aan de gemeente die de boete heeft opgelegd (op basis van hun verordening) om aan te geven of zij de beslagvrije voet willen hanteren of niet. De gemeente die de uitkering verstrekt moet hier in beginsel aan meewerken. Als de beslagvrije voet in voorkomende gevallen niet wordt gehanteerd heeft de belanghebbende de mogelijkheid de verstrekkende gemeente te verzoeken de beslagvrije voet toch te verstrekken. Artikel 60b, tweede lid Participatiewet biedt de verstrekkende gemeente de mogelijkheid aan dit verzoek te voldoen. In de meeste gevallen zal het college dan besluiten volgens de eigen verordening te handelen. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel