1.Het is verboden de weg, een weggedeelte of andere openbare plaats
anders te gebruiken dan
overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien:
a.het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de
bruikbaarheid van de weg
belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan
vormen voor het beheer en onderhoud van de weg; of
het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van
welstand.
Het college kan in het belang van de openbare orde, het
uiterlijk aanzien van de gemeente of de
woon- en leefomgeving nadere regels stellen aan de plaatsing van
voorwerpen op of aan de weg.
Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het
verbod in het eerste lid.
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor
het in het eerste lid bedoelde
gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in
artikel 2.2, eerste lid, onder j of
onder k van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:
evenementen als bedoeld in artikel 2:17;
standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;
terrassen als bedoeld in artikel 2:20;
steigers en containers, voor zover deze niet zodanig zijn
opgesteld dat zij hinder voor het
verkeer kunnen opleveren en mits wordt voldaan aan de door het
college te stellen nadere
regels met betrekking tot het plaatsen van deze voorwerpen of
stoffen;
reclame als bedoeld in de nadere regels reclame,
onverminderd artikel 4:14.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer
rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet
1994 of de provinciale
wegenverordening.
7.Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van
de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
niet tijdig beslissen) niet van toepassing.