**1..** Het is verboden parkeerapparatuur op andere wijze, met andere middelen of met andere munten, dan aangegeven op of bij de parkeerapparatuur, in werking te stellen.
**2..** Het is verboden op een parkeerapparatuurplaats gedurende de tijden waarop het parkeren daar slechts tegen betaling is toegestaan:
een motorvoertuig [voertuig] te parkeren indien de parkeerapparatuur niet in werking is gesteld of niet onmiddellijk na aanvang van het parkeren in werking wordt gesteld;
een motorvoertuig [voertuig] geparkeerd te houden indien de parkeerapparatuur aangeeft dat de parkeertermijn is verstreken.
**3..** Het in het tweede lid vervatte verbod geldt niet wanneer aan de eigenaar of houder van het motorvoertuig een vergunning is verleend voor het parkeren op de betreffende categorie parkeerapparatuurplaatsen, het motorvoertuig duidelijk zichtbaar is voorzien van een vergunning en niet gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorwaarden.
**4..** Het in het tweede lid vervatte verbod is niet van toepassing op parkeerapparatuurplaatsen waar op grond van de Belastingverordening 2007 naheffingsaanslagen worden opgelegd wegens het niet betalen van het verschuldigde parkeergeld.
**5..** De houder van een gehandicaptenparkeerkaart is voor het parkeren van het motorvoertuig op een binnen een parkeerapparatuurplaats algemene gehandicaptenparkeerplaats geen parkeerbelasting verschuldigd indien de gehandicaptenparkeerkaart op de voorgeschreven wijze zichtbaar in, op of aan het voertuig is bevestigd.
**6..** Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel.