**1..** De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte, en wel door middel van het, bij aanvang van het parkeren, op de door het college van burgemeester en wethouders voorgeschreven wijze betalen van geld met behulp van parkeerapparatuur en/of door middel van het al dan niet elektronisch in werking stellen van parkeerapparatuur. Van de verschuldigde belasting per tijdseenheid wordt op of via de parkeerapparatuur of in de daarbij geleverde gebruiksaanwijzing kennisgegeven. Ten aanzien van het hier voorafgaande bepaalde moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen één maand na het einde van het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon of ander communicatiemiddel inloggen op de centrale computer.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. Voldoening via een daartoe afgegeven machtiging tot automatische incasso wordt met betalen gelijkgesteld.
Indien de belastingplicht met betrekking tot de belasting als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, in de loop van het jaar waarvoor de vergunning is verleend, eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing over zoveel volle kalendermaanden als er in die periode na het tijdstip van de beëindiging van de belastingplicht nog resteren.
Voor de ontheffing genoemd in het derde lid geldt dat geen teruggave plaatsvindt bij bedragen minder dan € 50,-.
De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op het gestelde in dit artikel.
HOOFDSTUK 1
Artikel 6
Wijze van heffing
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2015