Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Voorwaarden toepassing cameratoezicht

Onderdeel van Verordening cameratoezicht gemeente Bodegraven-Reeuwijk

1.. De burgemeester wijst de openbare plaats of plaatsen aan waar cameratoezicht zal plaatsvinden. 2.. Cameratoezicht mag slechts worden toegepast op openbare plaatsen indien: er relatief veel strafbare feiten plaatsvinden; er relatief veel openbare ordeverstoringen plaatsvinden; er relatief veel meldingen van overlast binnenkomen; e.e.a. ter beoordeling van de burgemeester op basis van informatie van de politie. 3.. Aan een besluit als genoemd in artikel 2 van deze verordening dient ten minste één van de volgende doelstellingen ten grondslag te liggen: afname van het aantal openbare orde verstoringen en/of meldingen van overlast; (vervallen) terugdringen van het onveiligheidsgevoel. 4.. De burgemeester stelt, na overleg met de officier van justitie, de periode vast waarin in het belang van de handhaving van de openbare orde daadwerkelijk gebruik van de camera’s plaatsvindt. 5.. De burgemeester informeert terstond na het nemen van het besluit als bedoeld in lid 1 van dit artikel, de raad over de inhoud van het besluit alsmede de redenen welke tot dat besluit hebben geleid. 6.. De overige bepalingen van artikel 151c Gemeentewet blijven onverminderd van toepassing.

Rechtspraak bij dit artikel