Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 19.

Participatieplaats

Onderdeel van Participatieverordening

Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de Participatiewet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten. Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten. Het college verstrekt aan een persoon, die onbeloonde additionele werkzaamheden verricht conform artikel 10a, zesde lid van de Participatiewet, ambtshalve, als onderdeel van de schriftelijke overeenkomst, een premie. Voor de hoogte van de premie wordt aangesloten bij de KANS-regeling[1] opgenomen in het armoedebeleid “Iedereen van Waarde”. Het recht op een premie wordt elke zes maanden ambtshalve beoordeeld. De premie wordt geweigerd indien bij de beoordeling blijkt dat de persoon de aan de onbeloonde additionele werkzaamheden verbonden verplichtingen in de voorafgaande zes maanden heeft geschonden. Een premie als bedoeld in het derde lid, op basis van het gedachtegoed van de Participatieplaats, heeft voorrang boven de uitvoering van de Kans-regeling. Indien de persoon niet beschikt over een startkwalificatie wordt binnen 6 maanden na aanvang van de onbeloonde additionele werkzaamheden door het college bekeken in hoeverre scholing of opleiding kan bijdragen aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. Het college betrekt het oordeel van degene in wiens opdracht de persoon de additionele werkzaamheden uitvoert en de scholingswens van de persoon bij de in lid 4 bedoelde beoordeling. Dit artikel is niet van toepassing op personen die jonger zijn dan 27 jaar.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel