Aan een ontheffing als bedoeld in artikel 6a, lid 2 van de verordening
voor het gebruik van een verkoopwagen worden de volgende voorschriften
verbonden:
De verkoopwagen dient inpasbaar te zijn op de markt, volgens de
vastgestelde tekening met maatvoering van de indeling van het
marktterrein;
De verkoopwagen mag niet langer zijn dan de lengte die volgens
de marktvergunning is toegewezen; c. De hoogte van de voorste
begrenzing van de verkoopwagen dient tenminste 2.10 meter te
zijn. De hoogte van de voorklep van de verkoopwagen die
oversteekt buiten de standplaats dient tenminste 2.10 meter te
zijn. Het hoogste punt van de verkoopwagen mag niet hoger zijn
dan het hoogste punt van de huurkramen (3 meter);
De verkoopwagen mag niet breder zijn dan de breedte die voor
huurkramen is toegewezen (2,5 meter);
Dissels, zij- en achterkleppen, deuren en andere voorwerpen
mogen in verkoopopstelling niet uitsteken buiten de toegewezen
standplaats;
De voorklep van de verkoopwagen mag, aan de zijde van het
looppad, oversteken buiten de afmetingen van de toegewezen
standplaats. De overschrijding van de standplaats door de
voorklep mag ten hoogste de helft bedragen van de breedte van
het vrije looppad vóór de standplaats; g. De voorklep van een
verkoopwagen die oversteekt buiten de standplaats mag alleen
open buiten de openingstijden van de betreffende markt indien
alle in die rij staande vergunninghouders met hun voertuig onder
de klep doorkunnen;
Aan of onder het onder f. omschreven gedeelte van de voorklep
dat uitsteekt buiten de standplaats mogen geen zeilen of andere
materialen worden bevestigd en mag geen koopwaar worden
opgehangen of uitgestald;
De wijze van plaatsen van de verkoopwagen en het tijdstip waarop
dit dient te geschieden moet in overleg met de marktmeester
worden bepaald;
Het plaatsen of het verwijderen van een verkoopwagen kan slechts
plaatsvinden op het tijdstip waarop de situatie op de markt dat
toelaat en gebruikers van kramen niet onnodig worden belemmerd
in het op- en afrijden;