**1..** Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen
van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of
onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat
bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn,
gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij
rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid
per openbaar vervoer.
**2..** De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van
auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:
**a..** indien de desbetreffende afmetingen in overeenstemming zijn met
het bepaalde in NEN 2443, uitgave 1976; of
**b..** indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor
een gehandicapte in overeenstemming zijn met het bepaalde in NEN
2443, uitgave 1976, met dien verstande dat de breedte van een
dergelijke parkeerruimte - voor zover die ruimte niet in de
lengterichting aan een trottoir grenst - moet zijn vermeerderd
met 0,60 m.
**3..** Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien
aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde
terrein dat bij dat gebouw behoort.
**4..** Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
afwijking van het bepaalde in het eerste en het derde lid:
**a..** indien het voldoen aan de bepalingen door bijzondere
omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
**b..** voor zover op andere wijze in de nodige pakeer- of
stallingsruimte, dan wel laad- of losmogelijkheden wordt
voorzien.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 5
Artikel 2.5.30
Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen
Onderdeel van Bouwverordening