Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Afdeling 8.

Artikel 2:28D

Intrekkings- en sluitingsgronden

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening 2015

Onverminderd het bepaalde in artikel 2:30, kan de burgemeester een openbare inrichting sluiten indien deze wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6, kan de burgemeester de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd intrekken indien: aannemelijk is dat de exploitant of beheerder betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de openbare inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting; de exploitant of beheerder strafbare feiten pleegt in de openbare inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn openbare inrichting strafbare feiten worden gepleegd; de exploitant of beheerder zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht of seksuele geaardheid; zich in of vanuit de openbare inrichting anderszins feiten of omstandigheden hebben voorgedaan, die de vrees wettigen dat het geopend blijven van de openbare inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting; de exploitant of beheerder niet voldoet aan de in artikel 2:28A gestelde eisen; er sprake is van een gewijzigde exploitatie, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel