Het college verstrekt aan de uitkeringsgerechtigde die onbeloonde additionele werkzaamheden verricht conform artikel 10a, zesde lid van de Participatiewet, artikel 9, derde lid van de Participatieverordening en artikel 38a, zesde lid van de IOAW/IOAZ een premie.
Het recht op een premie als bedoeld in het eerste lid wordt elke zes maanden beoordeeld en uitbetaald.
De premie bedraagt per maand maximaal 100 euro op basis van een deelname van 32 uur per week.
Indien de activiteiten minder dan 32 uur per week bedragen, wordt de hoogte van de premie naar rato vastgesteld.
De premie wordt geweigerd indien bij de beoordeling blijkt dat de belanghebbende de aan de onbeloonde additionele werkzaamheden verbonden verplichtingen in de voorafgaande zes maanden heeft geschonden.
Het college verlangt van degene in opdracht van wie de uitkeringsgerechtigde onbeloonde additionele werkzaamheden verricht, na het eerste jaar halfjaarlijks, een vergoeding die overeenstemt met de hoogte van de premie als bedoeld in het eerste lid.