Een vergunning als bedoeld in artikel 22 van de wet kan worden geweigerd indien:
naar het oordeel van het college, het belang van het behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met splitsing gediende belang;
het onder a genoemde belang niet voldoende kan worden gediend door het stellen van voorwaarden en voorschriften aan de vergunning;
vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat verlening van de splitsingsvergunning zou leiden tot een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon‐ en leefmilieu in de omgeving van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft;
splitsing van het gebouw, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met de voorschriften van het voor het perceel geldende bestemmingsplan en er geen omgevingsvergunning is verleend om af te wijken van het bestemmingsplan of een procedure is gestart om het bestemmingsplan te wijzigen;
de toestand uit oogpunt van indeling of staat van onderhoud zich geheel of ten dele tegen splitsing in appartementsrechten of de verlening van deelnemings‐ of lidmaatschapsrechten verzet.
Hoofdstuk II
Artikel 2.4.
Gronden tot weigering van een splitsingsvergunning
Onderdeel van Huisvestingsverordening 2015