**1..** Het college kan een omzettingsvergunning intrekken, indien:
de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren;
de aan de vergunning verbonden voorwaarden en voorschriften niet worden nagekomen;
de vergunninghouder een jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning daarvan nog geen gebruik heeft gemaakt;
vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat handhaving van de vergunning zou leiden tot een verstoring van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, dan wel een verstoring van een geordend woon‐ en leefmilieu van het gebouw waarop de vergunning betrekking heeft;
het aantal onzelfstandige woonruimten en/of het aantal bewoners hoger is dan het in de aanvraag vermelde aantal;
het pand waarvoor de vergunning is afgegeven een jaar of langer niet in gebruik is als kamerverhuurpand.
**2..** Het college gaat niet eerder tot intrekking van de vergunning over, voordat degene tegen wie het besluit tot intrekking wordt genomen bij aangetekende brief is gewaarschuwd dat zij de vergunning zal intrekken, indien voor een te bepalen datum niet zodanige maatregelen en/of voorzieningen zijn getroffen, dat alsnog aan de desbetreffende bepalingen van deze verordening wordt voldaan en hij/zij in de gelegenheid is gesteld zich door of namens het college te doen horen.
Hoofdstuk III
Artikel 3.7.
Intrekking van de omzettingsvergunning
Onderdeel van Huisvestingsverordening 2015