**1..** Zowel het dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband als het college van een deelnemende gemeente kan voorstellen doen tot wijziging van de regeling.
**2..** Indien het algemeen bestuur wijziging van de regeling wenselijk acht, doet het dagelijks bestuur het door het algemeen bestuur vastgestelde voorstel toekomen aan de colleges van de deelnemende gemeenten.
**3..** Een wijziging van de regeling met betrekking tot de in artikel 4, eerste en tweede lid, genoemde taken is tot stand gekomen, wanneer blijkt dat de colleges tot deze wijziging hebben besloten, onverminderd artikel 1, tweede en derde lid, van de wet.
**4..** Een wijziging van de regeling op overige onderdelen is tot stand gekomen, wanneer blijkt dat ten minste twee derde van het aantal colleges tot deze wijziging heeft besloten.
**5..** Het dagelijks bestuur doet van de tot stand gekomen wijziging onverwijld mededeling aan de colleges van de deelnemende gemeenten.
**6..** Een wijziging treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de wijziging tot stand is gekomen en het besluit tot wijziging door het dagelijks bestuur is bekend gemaakt, tenzij het wijzigingsbesluit een latere datum van ingang bevat.
**7..** Het college van een deelnemende gemeente die van mening is dat door een besluit tot wijziging van de regeling de belangen van die deelnemende gemeente ernstig zullen worden geschaad, kan binnen twee maanden na de in het vijfde lid bedoelde mededeling over zijn bezwaren de zienswijze van Gedeputeerde Staten vragen. Gedeputeerde Staten delen hun zienswijze mee aan het algemeen bestuur en aan de raad van de betrokken deelnemende gemeente.
HOOFDSTUK XV › Paragraaf 3.
Artikel 41
Artikel 41
Onderdeel van Samenwerkingsregeling Noordwest-Veluwe