1.Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning
intrekken, indien:
de vergunninghouder de erin vermelde woonruimte niet binnen
de door burgemeester en wethouders bij de verlening van de
vergunning gestelde termijn in gebruik heeft genomen;
de vergunning is verleend op grond van door de
vergunninghouder verstrekte gegevens, waarvan deze wist of
redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist of onvolledig
waren.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.2
Artikel 2.2.5
Intrekking
Onderdeel van Huisvestingsverordening Stichtse Vecht 2015