Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2 › Paragraaf 2.1

Artikel 2.9

Voorrangsgronden: Sociale indicatie

Onderdeel van Huisvestingsverordening gemeente Dordrecht

De aanvrager, of een lid van zijn huishouden, komt op sociale indicatie in aanmerking voor een voorrangsverklaring, indien hij een probleem heeft van sociale/maatschappelijke aard dat past binnen de criteria genoemd in artikel 2.9, lid 5, a, b, c en waardoor de huidige zelfstandige woning niet langer geschikt is. Een aanvraag om voorrang bij de woningtoewijzing van sociale/ maatschappelijke aard wordt voor gemotiveerd advies voorgelegd aan het PUV. Voor de beoordeling van de aanvraag formuleert de DGJ/ Specialistisch Team Wonen het advies aan het PUV. Het PUV adviseert op haar beurt aan het college van Burgemeester en wethouders. Het advies is altijd met redenen omkleed. De aanvrager komt niet in aanmerking voor een voorrangsverklaring op sociale indicatie, indien hij op het moment van het betrekken van de huidige woning al een sociaal/maatschappelijk probleem had als genoemd in artikel 2.9, lid 1. Voorrangscriterium Omschrijving a.leefbaarheid aanvrager ondervindt ernstige, structurele problemen van sociale/maatschappelijke aard in de directe woonomgeving b.financiële nood door een onvoorziene, niet verwijtbare daling van het inkomen dakloos dreigt te worden c.einde duurzame relatie het beëindigen van een relatie, waarbij de partners met kinderen duurzaam hebben samengewoond, is geen reden voor een voorrangsverklaring, behalve als er minderjarige kinderen bij betrokken zijn. Vanuit maatschappelijk oogpunt is het niet aanvaardbaar dat minderjarige kinderen dakloos worden als ouders uit elkaar gaan. Van duurzame samenwoning is sprake als de partners minstens twee jaar onafgebroken hebben samengewoond, blijkend uit de inschrijving in de Basisregistratie Personen. Slechts één van de ouders kan aanspraak maken op een voorrangsverklaring onder de volgende voorwaarden: a.er moet sprake zijn van dagelijkse zorg door de aanvrager (dus geen bezoekregeling of gedeelde zorg) b.de aanvrager moet de kinderbijslag van de SVB ontvangen op de eigen bankrekening; c.de aanvrager moet aantoonbaar gedwongen zijn de gezamenlijke woning te verlaten. Bij co-ouderschap en gedeelde zorg wordt geen voorrang toegekend als de andere co-ouder (dan de aanvrager) over woonruimte blijft beschikken. Het bepaalde onder artikel 2.4 en 2.5 is hierbij onverkort van toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel