Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond van de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de daartoe gestelde voorwaarden en voor de duur die is afgesproken of die door het college noodzakelijk wordt geacht.
Soest, 11 juni 2015
de raad voornoemd,
de griffier, de voorzitter,
M.van Vliet MPM AA R.T. Metz
ALGEMENE TOELICHTING
Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet voor het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers, re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is. Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de verordening de voorzieningen vast te leggen die het college kán aanbieden.
Tegenprestatie naar vermogen
Wettelijk kader
Artikel 9 Wet Werk en Bijstand (WWB) betreft de plicht tot arbeidsinschakeling en tegenprestatie. Artikel 44, lid 1a geeft als definitie: ‘Naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. ‘
Wat wel:
Maatschappelijk nuttige werkzaamheden
Beperkt in omvang en tijdsduur
Additioneel en niet verdringen.
Naar vermogen
Wat niet:
Tegenprestatie mag geen bestaande leer- of werkstageplek betreffen.
Mag primair geen arbeidsinschakeling beogen want dan betreft het een regulier re-integratietraject, maar secundair wel. Dit betekent: ervaring opdoen met op tijd komen, gedrag op werkvloer enz.
Uitvoeringskosten mogen om deze reden niet gedekt worden uit de rijksgelden voor re-integratie (Participatiebudget)
Geen ‘dwangarbeid’ (dus geen sneeuwschuiven, want dat valt onder de normale burgerplicht op grond van artikel 4, lid 3, Europees Verdrag Rechten van de Mens)
Voor wie:
Het gaat om de “niet-kunners” en dus niet over de “niet-willers”. Afhankelijk van het vermogen tot arbeidsinschakeling heeft deze laatste groep een re-integratietraject dat leidt naar werk of anderszins, en bij het niet nakomen van de verplichtingen is op deze groep het handhavings- en maatregelenbeleid van toepassing.
Dit betekent niet dat van de niet-willers geen inzet verwacht wordt. Deze groep zit in een traject naar vermogen, en vallen daarmee onder het bereik van het handhavingsbeleid van de gemeente Soest. Dit betreft de vastgestelde Maatregelenverordening en de Verordening Bestuurlijke boete.
Toelichting op bovenstaande: omdat de tegenprestatie geen re-integratietraject mag zijn, en geen verdringing op de arbeidsmarkt mag veroorzaken, is de groep in een re-integratietraject uitgesloten van de tegenprestatie. Deze groep moet begeleid worden naar werk en wordt verondersteld hier fulltime mee bezig te zijn. Deze groep valt daarmee onder het bereik van het handhavingsbeleid.
In de verordening wordt dus iedereen geduid met een bijstandsuitkering: afhankelijk van de persoonlijke omstandigheden, heeft dus iedereen een traject: hetzij naar werk, hetzij naar maatschappelijk onbeloonde activiteiten.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Alleen die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder behandeld.
HOOFDSTUK 6
Artikel 22
Overgangsrecht
Onderdeel van Re-integratieverordening Participatiewet (inclusief Tegenprestatie naar Vermogen)