Deze verordening wordt aangehaald als: de Maatregelenverordening IOAW/IOAZ 2015.
De raadsgriffier,
drs. M.A.H. Heffels
De voorzitter,
drs. H.M.F. Bruls
ALGEMENE TOELICHTING
Op 15 december 2009 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het Wetsvoorstel bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (Wet BUIG). Met de inwerkingtreding van de Wet BUIG per 1 januari 2010 krijgt de gemeente een grotere beleidsmatige rol en financiële verantwoordelijkheid rond de uitvoering van de IOAW, IOAZ, WWIK en Bbz2004.
De IOAW, IOAZ en het Bbz 2004 kenden tot 1 januari 2010 een financiering systematiek waarbij 75% bij het Rijk kon worden gedeclareerd en 25% drukte op het gemeentelijke budget; de WWIK kende daarnaast een financieringssystematiek waarbij 100% kon worden gedeclareerd. Per 1 januari 2010 is een systeem van volledige budgetfinanciering ingevoerd, zoals dit nu van toepassing is op het WWB-inkomensdeel. Met de Wet BUIG worden de financiële middelen van de ‘kleine inkomensregelingen’ gebundeld in het volledig gebudgetteerde I-deel dat de gemeente ontvangt voor de bijstandsverstrekking op grond van de WWB.
Gemeenten krijgen door de wet aldus een grotere verantwoordelijkheid en lopen ook meer financieel risico.
Door de Wet BUIG wordt het aantal landelijke regels verder sterk teruggedrongen. In de plaats komt een grotere beleidsruimte voor de gemeente. Daardoor wordt de gemeente ook gevorderd om op een aantal punten zelf beleid te ontwikkelen. Deze verordening voorziet daarbij in het afstemmingsbeleid voor de IOAW en IOAZ. Dit beleid was geregeld bij AMvB. Deze landelijke regelingen, alsmede de nog bestaande boetebepalingen, zijn echter met de Wet BUIG komen te vervallen. Op basis van het inwerkingtredingbesluit is het aan de gemeente om per 1 juli 2010 in een bij verordening vastgelegd beleid te voorzien.
In deze verordening is er daarbij voor gekozen om met betrekking tot de IOAW en IOAZ te komen tot een zo veel mogelijk analoog aan het WWB-regime en thans Participatiewet toe te passen afstemmingsbeleid.
Met de vaststelling van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Wet aanscherping) is met ingang van 1 januari 2013 de bestuurlijke boete opnieuw ingevoerd. Hiertoe is artikel 20a in de IOAW/IOAZ opgenomen. Vanaf 1 januari 2013 kennen de IOAW en IOAZ dus naast de verlaging ook weer de bestuurlijke boete als handhavingsinstrument.
Een bestuurlijke boete wordt opgelegd als een belanghebbende de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 13 eerste lid van de IOAW/IOAZ schendt. Het opleggen van een maatregel is in die situatie niet langer aan de orde. De bepalingen over het opleggen van een maatregel bij schending van de inlichtingenplicht zijn dan ook uit de verordening geschrapt.
Met de invoering van de Participatiewet per 1 januari 2015 zijn de IOAW/IOAZ op een aantal onderdelen gewijzigd. Van belang voor deze verordening is de verplichting tot het leveren van een tegenprestatie die in artikel 37 eerste lid onder f IOAW/IOAZ is opgenomen. Daarnaast is in artikel 37 IOAW/IOAZ er een redactionele wijziging als het gaat om zeer ernstige gedragingen. Niet langer kan er alleen een maatregel worden opgelegd als die misdraging zich jegens het college of zijn ambtenaren heeft voorgedaan, De omschrijving is ruimer zodat ook een zeer ernstige misdraging tegenover personen en instanties belast met de uitvoering van de wet tijdens het verrichten van hun werkzaamheden een maatregel kan opleveren.
ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING