Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3

Artikel 10

loonwaarde en loonkostensubsidie

Onderdeel van Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Midden-Delfland 2015

Dit artikel geeft uitvoering aan het gestelde in artikel 6, tweede lid van de Participatiewet. Overeenkomstig dit artikel dient de raad bij verordening regels vast te stellen over de doelgroep loonkostensubsidie en de loonwaarde. Het college kan naar aanleiding van een schriftelijke aanvraag of ambtshalve vaststellen wie tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort (artikel 10c van de Participatiewet). Tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort de belanghebbende, die mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en van wie is vastgesteld dat hij of zij met voltijdse arbeid niet in staat is het wettelijke minimum loon (WML) te verdienen. Loonkostensubsidie kan worden ingezet bij: beschut werk; garantiebanen; en niet-geindiceerden met een lage loonwaarde. Als het college heeft vastgesteld dat de belanghebbende behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en er is een werkgever voornemens met deze belanghebbende een dienstbetrekking aan te gaan, dan moet het college in beginsel de loonwaarde van de belanghebbende vaststellen (artikel 10d, eerste lid Participatiewet). De loonwaarde is een vastgesteld percentage van het rechtens geldende loon voor de door een persoon uit de doelgroep loonkostensubsidie verrichte arbeid in een functie. De loonkostensubsidie is gebaseerd op de loonwaarde die de belanghebbende heeft. Als de loonwaarde bijvoorbeeld wordt vastgesteld op 85% in vergelijking met andere (nieuwe) werknemers in dezelfde functie, dan heeft de werkgever recht op een loonkostensubsidie van 15% van het WML plus een bij een ministeriële regeling vastgestelde tegemoetkoming in de werkgeverslasten. Gemeenten bepalen de manier waarop de loonwaarde wordt vastgesteld wanneer een werkgever voornemens is de belanghebbende in dienst te nemen. Binnen de arbeidsmarktregio’s moeten gemeenten en het UWV volgens eenzelfde meetmethodiek werken. Binnen de arbeidsmarktregio Haaglanden en ZHC is naar aanleiding van een Europese aanbestedingsronde gekozen voor de Dariuz-methode. De loonwaardemeting vindt plaats in een praktijksituatie, bijvoorbeeld tijdens een stage of proefplaatsing bij dezelfde werkgever. Bij de meting worden zowel de belanghebbende als de werkgever betrokken. Van beiden wordt medewerking verwacht aan het onderzoek. Het college legt de vastgestelde loonwaarde en de daaraan gekoppelde loonkostensubsidie vast in een beschikking, waartegen zowel de betrokken belanghebbende als diens (potentiële) werkgever bezwaar en beroep kan instellen. Het meten van de loonwaarde dient jaarlijks plaats te vinden, in geval van beschut werk volstaat een loonwaardemeting om de drie jaar. De loonkostensubsidie kan zo nodig structureel worden ingezet.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel