Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond
van de artikelen 9, 9a, 55 of 57 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:
eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;
tweede categorie:
1° het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren
en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a
van de Participatiewet;
2° het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de
artikelen 9, eerste lid, 55 of 57 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet;
3° het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van
de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het
intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een
alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de
Participatiewet;
4° het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om op een
aangegeven plaats en tijd te verschijnen in verband met:
de arbeidsinschakeling,
het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak voor zover het gaat om een persoon jonger dan 27 jaar,
de aan de ontheffing verbonden re-integratie verplichtingen op grond van artikel 9a Participatiewet.
5° het niet of onvoldoende verrichten van een door het college
opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9,
eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet;
6° het niet of onvoldoende nakomen van een door het college
opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 en 57 van de
Participatiewet.
7° indien de schending van de verplichting tot arbeidsinschakeling
ook een schending van de verplichting, zoals bedoeld in artikel 25 lid 4 van de Wet Inburgering (geldende op 31 december 2012) inhoudt, verlaagt het college de bijstand.
derde categorie
1° het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet.
2° het in onvoldoende mate verrichten van noodzakelijke dan wel verplichte activiteiten gedurende de zoekperiode van 4 weken voor jongeren tot 27 jaar;
3° het in onvoldoende mate meewerken aan:
een trajectplan;
een plan van aanpak voor jongeren onder de 27 jaar;
de re-integratie verplichtingen conform artikel 9a Participatiewet;
3° indien de schending van de verplichting tot arbeidsinschakeling
ook een schending van de verplichting, zoals bedoeld in artikel 23
lid 1 van de Wet Inburgering (geldende op 31 december 2012) of
artikel van de verordening Wet Inburgering inhoudt, verlaagt het
college de bijstand.
vierde categorie
1° het niet verrichten van noodzakelijke dan wel verplichte activiteiten gedurende de zoekperiode van 4 weken voor jongeren tot 27 jaar.
2° indien de schending van de verplichting tot arbeidsinschakeling
ook een schending van de verplichting, zoals bedoeld in artikel 7 lid
1 of artikel 31 lid 2 van de Wet Inburgering (geldende op 31
december 2012) inhoudt, verlaagt het college de bijstand met vijftig
procent voor de duur van 1 maand.
3° indien de schending van de verplichting tot arbeidsinschakeling
ook een schending van de verplichting, zoals bedoeld in de artikelen
32 en 33 van de Wet Inburgering (geldende op 31 december 2012)
inhoudt, verlaagt het college de bijstand met honderd procent voor
de duur van 1 maand.
Hoofdstuk 2
Artikel 7
Gedragingen Participatiewet
Onderdeel van Afstemmingsverordening gemeente Heerlen