Naar hoofdinhoud
Gebied 1: Historische gesloten bebouwing, Gebied 2: Historische open bebouwing, Gebied 3: Tuinstad, Gebied 4: Jaren 70 en 80 wijken, Gebied 5: Overig (bepaald volgens de gebiedstypenindeling zoals aangegeven in artikel 6). GEBIEDEN CRITERIA 1 2 3 4 5 Bouwvlak, tuin, erf 1. Het deel van het bouwperceel waar op grond van nummer 7 van deze matrix hoofdbebouwing is toegestaan behoort tot het bouwvlak. Het bouwvlak is geen tuin noch erf in de zin van deze beleidsregels. X X X X X 2. De tuin ligt vóór de voorgevellijn en het erf ligt achter de achtergevellijn. Als er op het bouwperceel naast de zijgevellijn grond aanwezig is, wordt die grond aangemerkt als tuin en/of erf waarbij de grens tussen tuin en erf wordt bepaald aan de hand van de artikel 3 t/m 6 van deze matrix. Indien sprake is van mantelzorg kan deze grens worden verlegd (zie nummer 16 van deze matrix). X X X X X 3. De grens tussen tuin en erf ligt op de voorgevellijn. Ten aanzien van bouwpercelen op hoeken van straten en voor zover het betreft de gronden gelegen achter de voorgevellijn geldt daarnaast als grens tussen tuin en erf de naar de weg gekeerde zijgevel, en het verlengde daarvan, van het hoofdgebouw. De tuin ligt aan de straatzijde van deze grens. X 4. De grens tussen tuin en erf ligt bij hoekwoningen, voor zover niet grenzend aan een openbaar toegankelijk gebied, op 1,00 meter achter de voorgevellijn. Bij hoekwoningen grenzend aan een openbaar toegankelijk gebied, vrijstaande woningen en (al dan niet geschakelde) twee-onder-één-kap-woningen ligt deze grens op 3,00 meter achter de voorgevellijn. X X 5. De grens tussen tuin en erf ligt op 6,00 meter achter de voorgevellijn. X 6. De grens tussen tuin en erf is afhankelijk van de ter plaatse aanwezige situatie en wordt per situatie apart beoordeeld. X Uitbreiding van hoofdbebouwing 7. De hoofdbebouwing mag naar achteren worden uitgebreid: -tot een bouwdiepte van maximaal 15 meter bij achtererven met een diepte van 40 meter of meer; -tot een bouwdiepte van maximaal 12 meter bij achtererven met een diepte van 20 tot 40 meter; -tot een bouwdiepte van maximaal 10 meter bij achtererven met een diepte van 10 tot 20 meter; mits: -gebleven wordt in het gebied gelegen tussen het verlengde van de zijgevels van het hoofdgebouw én in het gebied tussen de zijgevellijnen; -de lengte van de loodrechte lijn vanaf het midden van de achtergevellijn tot de kruising met de achterste perceelsgrens minimaal 8,00 meter is;1 -de bouwhoogte van de uitbreiding niet hoger is dan de hoogte van de hoofdbebouwing het hoofdgebouw ter plaatse van de uitbreiding. Binnen het gebied waar op grond van deze bepaling hoofdbebouwing is toegestaan, zijn tevens bijgebouwen en overkappingen toegestaan. Voor bijgebouwen binnen dit gebied geldt een maximale goothoogte van 3,00 meter en een maximale bouwhoogte van 5,00 meter en voor overkappingen een maximale goothoogte van 3,00 meter en een maximale bouwhoogte van 4,00 meter. In aanvulling op de uitbreidingen die mogelijk zijn op grond van deze bepaling, zijn de uitbreidingen mogelijk als genoemd in nummers 15 en 16 van deze matrix. Het vergroten van bestaande hoofdbebouwing ten behoeve van het aanbrengen van gevelisolatie is toegestaan indien redelijke eisen van welstand zich hier tegen niet verzetten. Als de uitbreiding tot gevolg heeft dat aangebouwd wordt tegen een bestaand vrijstaand bijgebouw, is dit toegestaan, mits het bestaande bijgebouw na gereedkoming van het bouwplan voldoet en blijft voldoen aan de definitie (in deze beleidsregels) van bijgebouw, met uitzondering van de eis van vrijstaandheid. 1 achterpaden behoren niet tot het bouwperceel X X X X X 8. Overschrijdingen van de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen tot maximaal 0,50 m zijn toegestaan indien redelijke eisen van welstand zich hiertegen niet verzetten. Deze regeling is niet van toepassing in combinatie met het bepaalde in nummers 9 en 10 van deze matrix. Deze regeling is ook niet van toepassing op aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen. X X X X X 9. Een bestaand plat afgedekt hoofdgebouw van twee bouwlagen (ondergrondse bouwlagen niet meegeteld) mag worden voorzien van een dakopbouw, of gelijksoortige uitbreiding van het hoofdgebouw, mits de uitbreiding hetzij plat afgedekt hetzij in de vorm van een kap wordt uitgevoerd. De goothoogte van een plat afgedekte uitbreiding mag, gemeten vanaf de bovenkant van de tweede bouwlaag, niet hoger zijn dan 3,50 m. De bouwhoogte van een kap mag gemeten vanaf de bovenkant van de tweede bouwlaag, niet hoger zijn dan 4,00 meter. De derde bouwlaag van een bestaand plat afgedekt hoofdgebouw van twee bouwlagen met een gedeeltelijke derde bouwlaag (ondergrondse bouwlagen niet meegeteld) mag horizontaal worden uitgebreid, mits de bouwhoogte niet hoger is dan de bestaande bouwhoogte en bij de uitbreiding de hoofdvorm van de bestaande opbouw behouden blijft (zoals een plat dak, tonvorm, zadeldak). Deze bepalingen gelden alleen indien het bestemmingsplan niet rechtstreeks een derde bouwlaag mogelijk maakt. Indien het bestemmingsplan wel een (gedeeltelijk) derde bouwlaag mogelijk maakt, gelden uitsluitend de bouwmogelijkheden van het bestemmingsplan. Bij andere hoofdgebouwen zijn dakopbouwen niet toegestaan, evenals dakopbouwen die niet voldoen aan bovenstaande bepalingen. X X X X 10. Een bestaand plat afgedekt hoofdgebouw van twee bouwlagen (ondergrondse bouwlagen niet meegeteld) mag worden voorzien van een dakopbouw, of een gelijksoortige uitbreiding van het hoofdgebouw, mits de uitbreiding hetzij plat afgedekt hetzij in de vorm van een kap wordt uitgevoerd. De goothoogte van een plat afgedekte uitbreiding mag, gemeten vanaf de bovenkant van de tweede bouwlaag, niet hoger zijn dan 4,00 meter. De bouwhoogte van een kap mag, gemeten vanaf de bovenkant van de tweede bouwlaag, niet hoger zijn dan 5,00 meter. De derde bouwlaag van een bestaand plat afgedekt hoofdgebouw van twee bouwlagen met een gedeeltelijke derde bouwlaag (ondergrondse bouwlagen niet meegeteld) mag horizontaal worden uitgebreid, mits de bouwhoogte niet hoger is dan de bestaande bouwhoogte en bij de uitbreiding de hoofdvorm van de bestaande opbouw behouden blijft (zoals een plat dak, tonvorm, zadeldak). Deze bepalingen gelden alleen indien het bestemmingsplan niet rechtstreeks een derde bouwlaag mogelijk maakt. Indien het bestemmingsplan wel een (gedeeltelijk) derde bouwlaag mogelijk maakt, gelden uitsluitend de bouwmogelijkheden van het bestemmingsplan. Bij andere hoofdgebouwen zijn dakopbouwen niet toegestaan, evenals dakopbouwen die niet voldoen aan bovenstaande bepalingen. X 11. Verticale uitbreidingen van de woning met een dakterras, doorvalbeveiliging, (erf)afscheiding, schoorsteen, (schotel)antenne, “esthetische verfraaiingen”, vlaggenmast, liftschacht, technische ruimte, (brand)trap, lichtkoepel, ventilatievoorziening, airco, zonnepanelen, (overige) installaties en voorzieningen op het dak, of qua aard en omvang daarmee vergelijkbare uitbreidingen, hangen af van de ter plaatse aanwezige situatie en worden, voor zover niet vergunningsvrij, ad hoc beoordeeld. Voor dakkapellen wordt toestemming verleend om af te wijken van het bestemmingsplan als wordt voldaan aan het gestelde in de Uitwerkingsnota Beeldkwaliteit ten aanzien van dakkapellen. X X X X X Bouwen beneden peil 12. Bouwen beneden peil, ten behoeve van de bestemming, is toegestaan indien en voor zover hoofdbebouwing is toegestaan. In aanvulling op de uitbreidingen die mogelijk zijn op grond van deze bepaling, zijn de uitbreidingen mogelijk als genoemd in nr. 19 en 20 van de matrix. X X X X X Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij hoofdgebouwen 13. In de tuin zijn aan- en uitbouwen met een maximale diepte van 1,50 meter toegestaan met een maximale goothoogte van de eerste bouwlaag en een maximale bouwhoogte van de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw. Voor zover deze vóór de voorgevellijn worden gerealiseerd, geldt een maximale breedte van 60% van de betreffende gevelbreedte (voorgevel) van het hoofdgebouw. De aan- of uitbouw moet geheel binnen de betreffende gevelbreedte (voor- of zijgevel) van het hoofdgebouw worden opgericht. Als uitzondering hierop geldt dat een “hoekovergang” is toegestaan. X X X X X 14. Het is toegestaan, indien en voor zover er in de tuin recht vóór de voorgevel van het hoofdgebouw een legaal bijgebouw aanwezig is, de ruimte tussen het hoofdgebouw en dat bestaande bijgebouw te bebouwen met een aan- of uitbouw mits: a.aangesloten wordt bij de bouwhoogte van het bijgebouw tot maximaal de bouwhoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw; b.het bestaande bijgebouw na gereedkoming van het bouwplan voldoet en blijft voldoen aan de definitie (in deze beleidsregels) van bijgebouw, met uitzondering van de eis van vrijstaandheid. X X 15. Op het erf zijn aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen toegestaan mits: -het bebouwde oppervlakte van het erf niet meer bedraagt dan: 1.in geval van een erf kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat erf; 2.in geval van een erf groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het erf dat groter is dan 100 m2; 3.in geval van een erf groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het erf dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; -aan- en uitbouwen zijn gelegen binnen een afstand van 4,00 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw of binnen 3,00 meter van de achtergevellijn, met dien verstande dat de lengte van de loodrechte lijn vanaf het midden van de achtergevel van de aan- of uitbouw tot de kruising met de achterste perceelsgrens minimaal 5,00 meter is1; -er op de perceelsgrens wordt gebouwd of anders dat er tenminste een afstand van 1,00 meter tot de perceelsgrens wordt aangehouden. Indien toepassing is gegeven aan artikel 21 van deze matrix, mag het totaal aan bebouwde oppervlakte van bouwwerken op het erf ten hoogstemet 25 m2 overschreden worden, mits het totaal aan bebouwd oppervlakte niet groter wordt dan 75% van het erf en de overschrijding noodzakelijk is om het in artikel 21 genoemde bouwwerk(en) te realiseren. De hoogte van de aan- of uitbouw op het erf moet aansluiten bij de bouwhoogte van de hoofdbebouwing. Daarbij geldt dat de goothoogte niet hoger mag zijn dan de hoogte van de eerste bouwlaag en de bouwhoogte niet hoger dan de hoogte van de tweede bouwlaag van de hoofdbebouwing ter plaatse van de geplande aan- of uitbouw. Indien de hoofdbebouwing bestaat uit één bouwlaag, mag de bouwhoogte van de aan- of uitbouw niet hoger zijn dan de eerste bouwlaag. Aan- of uitbouwen op het erf aan de achterzijde van de woning mogen worden aangekapt door middel van een schuin dak (zie onderstaande afbeelding). Overige dakvormen zijn niet toegestaan. aankapping dmv een schuin dak Aan- of uitbouwen op het erf naast de woning mogen worden aangekapt door middel van een lessenaarsdak of worden voorzien van een schuin dak, met een daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, zoals op onderstaande afbeeldingen is aangegeven. Dit geldt ook wanneer de aan- of uitbouw is gelegen voorbij de achtergevel van de woning. Overige dakvormen en uitkragende opbouwen worden ad hoc beoordeeld. lessenaarsdak zadeldak kap met 2 of meer schuine dakvlakken Voorbeelden overige dakvormen en uitkragende opbouwen (niet limitatief): Doosvormig Trapeziumvormig Tonvormig Uitkragende dakvorm. Voor bijgebouwen geldt een maximale goothoogte van 3,00 meter. Voor de bouwhoogte gelden, voor zover hoger dan 3,00 meter, de volgende bepalingen: -het bijgebouw moet worden voorzien van een schuin dak; -de dakvoet ligt niet hoger dan 3,00 meter; -de daknok wordt gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°; -de hoogte van de daknok is niet meer dan 5,00 m en wordt verder begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3. Overkappingen hebben een maximale bouwhoogte van 3,00 meter. Voor zover aan- en uitbouwen op grond van deze bepaling zijn toegestaan, mogen deze gebruik worden ten behoeve van het wonen. Bewoning van bijgebouwen is niet toegestaan. Indien sprake is van mantelzorg is onder punt 16 van deze matrix een aanvullende regeling opgenomen ten aanzien van uitbreidingen en gebruik van aan- en uitbouwen en bijgebouwen. Als de uitbreiding met een aan- of uitbouw tot gevolg heeft dat aangebouwd wordt tegen een bestaand vrijstaand bijgebouw, is dit toegestaan, mits het bestaande bijgebouw na gereedkoming van het bouwplan voldoet en blijft voldoen aan de definitie (in deze beleidsregels) van bijgebouw, met uitzondering van de eis van vrijstaandheid. 1 achterpaden behoren niet tot het bouwperceel X X X X X Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingenin het kader van mantelzorg 16. Indien en voor zover sprake is van mantelzorg, zijn aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen op het erf toegestaan mits de bebouwde oppervlakte van het erf niet meer bedraagt dan: 1.in geval van een erf kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 60% van dat erf; 2.in geval van een erf groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 60 m2, vermeerderd met 30% van het deel van het erf dat groter is dan 100 m2; 3.in geval van een erf groter dan 300 m2: 120 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het erf dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2. Daarbij geldt dat: -de grens tussen erf en tuin, ten opzichte van het bepaalde onder punt 4 en 5 van deze matrix, met maximaal 2,00 meter mag worden verlegd ter vergroting van het erf ten behoeve van het bouwplan, waarbij de grens tussen tuin en erf op minimaal 1,00 meter achter de voorgevellijn ligt; -gebruik van aan- en uitbouwen op een afstand van meer dan 4,00 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw of meer dan 3,00 meter van de achtergevellijn ten behoeve van wonen of het bewonen van bijgebouwen ten behoeve van mantelzorg is toegestaan gedurende de periode dat er sprake is van mantelzorg; -er op de perceelsgrens wordt gebouwd of anders dat er tenminste een afstand van 1,00 meter tot de perceelsgrens moet worden aangehouden. Indien toepassing is gegeven aan artikel 21 van deze matrix, mag het totaal aan bebouwde oppervlakte van bouwwerken op het erf ten hoogste met 25 m2 overschreden worden, mits het totaal aan bebouwd oppervlakte niet groter wordt dan 75% van het erf en de overschrijding noodzakelijk is om het in artikel 21 genoemde bouwwerk(en) te realiseren. De bepalingen t.a.v. de goot- en bouwhoogtes en dakvormen in punt 15 van de matrix zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat tijdelijke aan- uit- en bijgebouwen met een maximale goot- en bouwhoogte van 3,50 meter ook zijn toegestaan. Als de uitbreiding met een aan- of uitbouw tot gevolg heeft dat aangebouwd wordt tegen een bestaand vrijstaand bijgebouw, is dit toegestaan, mits het bestaande bijgebouw na gereedkoming van het bouwplan voldoet en blijft voldoen aan de definitie (in deze beleidsregels) van bijgebouw, met uitzondering van de eis van vrijstaandheid. X X X X X Uitbreidingen aan de gevel van hoofdbebouwing 17. Horizontale uitbreiding van de woning boven of op het erf in de vorm van ondergeschikte bouwwerken cq bouwonderdelen, zoals balkons en luifels (mits niet dieper dan 2,00 meter gemeten loodrecht op de gevel waartegen aan wordt gebouwd), (brand)trappen en afscheidingen zijn toegestaan. Deze bouwwerken cq bouwonderdelen tellen niet mee in het totaal bebouwd oppervlak, bouwhoogte of andere in deze matrix genoemde maten. X X X X X 18. Horizontale uitbreiding van de woning boven of in de tuin in de vorm van ondergeschikte bouwwerken cq bouwonderdelen zoals balkons en luifels (mits niet dieper dan 1,50 meter) zijn toegestaan. Deze bouwwerken cq bouwonderdelen tellen niet mee in het totaal bebouwd oppervlak, bouwhoogte of andere in deze matrix genoemde maten. X X X X X Keldertoegangen en koekoeken 19. Keldertoegangen en koekoeken (met afscheiding) in de tuin en/of op het erf zijn toegestaan mits: -de keldertrap en/of koekoek parallel aan de voorgevel ligt. Bij vrijstaande woningen, twee-onder-een-kapwoningen en hoekwoningen is een keldertrap en/of koekoek parallel aan de zijgevel mogelijk. Aan de achtergevel is zowel een keldertrap en/of koekoek parallel als loodrecht op de achtergevel mogelijk; -de keldertoegang en/of koekoek is gelegen tussen de verlengde zijgevels van het hoofdgebouw dan wel tussen de verlengde voor- en achtergevel van het hoofdgebouw; -er na realisatie van de keldertoegang/koekoek een (voor)tuin resteert van minimaal 3,00 meter tussen de keldertrap en/of koekoek en de perceelsgrens voor zover gelegen aan openbaar toegankelijk gebied; -de keldertrap en/of koekoek parallel aan de voor- of zijgevel tezamen een diepte van maximaal 1,20 meter hebben (inclusief keerwand); -indien er een erker aan de voor- of zijgevel aanwezig is, mag de keldertrap en/of koekoek hier voor komen te liggen, waarbij de erker, keldertrap en/of koekoek tezamen een diepte van maximaal 2,50 meter hebben (inclusief keerwand). Reeds legaal gerealiseerde vergelijkbare keldertoegangen en/of koekoeken in de directe omgeving kunnen aanleiding zijn om van bovenstaande af te wijken. In dat geval vindt er een ad hoc beoordeling plaats. X X 20. Horizontale uitbreidingen van de woning in de tuin in de vorm van keldertoegangen en koekoeken (met afscheiding) hangen af van de ter plaatse aanwezige situatie en wordt ad hoc beoordeeld. X X X Zwembaden, jacuzzi’s en gebouwde vijvers bij woningen 21. Op het erf zijn openlucht zwembaden, jacuzzi's en gebouwde vijvers, alsmede de daarvoor benodigde bouwwerken geen gebouwen zijnde, toegestaan, waarbij, in aanvulling op punt 15 en 16 van deze matrix, het bebouwde oppervlakte, voor zover noodzakelijk om deze bouwwerken te realiseren, met maximaal 25 m2 mag worden overschreden tot maximaal 75% van het erf. De bouwhoogte van deze bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 1,50 meter. X X X X X

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel