Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6

Artikel 6.1

Voorwaarden voor het recht op de uitstroompremie

Onderdeel van Beleidsregels Re-integratie Participatiewet, Ioaw en Ioaz Vught 2018

1.. Aan de uitkeringsgerechtigde die tenminste één jaar onafgebroken een uitkering heeft en die aansluitend algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt en behoudt, en daarmee een inkomen verwerft dat meer bedraagt dan de van toepassing zijnde norm, kan op aanvraag een eenmalige uitstroompremie worden verstrekt. 2.. Aan de belanghebbende die een op basis van de Re-integratieverordening Participatiewet Vught 2015 toegekende gesubsidieerde baan heeft en die aansluitend algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt en behoudt, en daarmee een inkomen verwerft dat meer bedraagt dan de van toepassing zijnde norm, kan op aanvraag een eenmalige uitstroompremie worden verstrekt. 3.. De uitkeringsgerechtigde die tenminste één jaar onafgebroken een uitkering heeft en die algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt en behoudt en daarmee een inkomen verwerft dat minder bedraagt dan de van toepassing zijnde norm kan op aanvraag een eenmalige uitstroompremie worden verstrekt indien hij: gedeeltelijk of geheel is ontheven van de verplichtingen op grond van artikel 9 lid 1 van de Participatiewet, en; naar het oordeel van het college ten minste het voor hem maximaal haalbare aantal uren werkt. 4.. De uitstroompremie wordt toegekend indien de algemeen geaccepteerde arbeid tenminste zes maanden heeft geduurd. 5.. De premie moet tenminste zijn aangevraagd binnen drie maanden nadat de periode genoemd in het vierde lid is verstreken. 6.. De uitkeringsgerechtigde wordt attent gemaakt op de uitstroompremie door vermelding in de beëindigingsbeschikking.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel