Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 6.

Vaststelling hoogte aflossing

Onderdeel van Beleidsregels krediethypotheek en pandrecht

1.. Aflossing van de geldlening vindt plaats gedurende ten hoogste tien jaar. 2.. De aflossing gaat in op het moment van beëindiging van de bijstandsverlening en vindt maandelijks plaats. 3.. De aflossing per maand wordt vastgesteld volgens de beleidsregels Terugvordering. 4.. Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van een jaar vastgesteld. 5.. Als de omstandigheden daartoe aanleiding geven stellen burgemeester en wethouders zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast. 6.. Bij de beoordeling van de omstandigheden, als bedoeld in lid 5 wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van belanghebbende komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen. 7.. Als belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van tien jaar schuldig nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd.

Rechtspraak bij dit artikel