1.Voor een uitwonende belanghebbende als bedoeld in artikel 28 van de wet vindt een verlaging plaats met 10% van de norm bedoeld in artikel 21, onderdeel b van de Participatiewet gedurende zes maanden na het tijdstip van de beëindiging aan onderwijs of een beroepsopleiding.
2. Voor een thuiswonende belanghebbende als bedoeld in artikel 28 van de wet vindt een verlaging plaats met 20% van de norm bedoeld in artikel 21, onderdeel b van de Participatiewet gedurende zes maanden na het tijdstip van de beëindiging aan onderwijs of een beroepsopleiding.
Ad 1 en 2
Er is gekozen voor een verlaging van 10% van de gehuwdennorm voor uitwonende voormalig studenten, en voor een verlaging van 20% van de gehuwdennorm voor thuiswonende voormalig studenten, omdat deze percentages aan verlaging de situatie van de ontvangst van studiefinanciering het meest benaderen.
Het toepassen van een verlaging voor schoolverlaters heeft immers als doel om instroom in de bijstand door schoolverlaters minder aantrekkelijk te maken, door er in ieder geval voor te zorgen dat de hoogte van de bijstandsuitkering nagenoeg gelijk is aan het totale recht op WSF dat de ex-studerende ontving.
De bedragen WSF waar in de bijstand rekening mee wordt gehouden, staan vermeld in artikel 3:18 Wet op de Studiefinanciering 2000.
Hoofdstuk
Artikel 4: