Aan de ontheffing worden de volgende voorschriften verbonden:
het verbranden van het snoeihout moet op zodanige wijze plaatsvinden dat er geen milieubelangen worden geschaad;
het verbranden van andere afvalstoffen dan schoon snoeihout of zieke planten is verboden;
snoeihout en zieke planten mogen alleen afkomstig van het eigen terrein zijn; het verbranden van snoeihout of zieke planten van derden is verboden;
het verbranden mag geen gevaar, schade of hinder opleveren voor de omgeving;
de houder van de ontheffing, of een door hem aangewezen vertegenwoordiger dient tijdens de verbranding voortdurend aanwezig te zijn en dient zorg te dragen voor een goed brandend vuur met zo min mogelijk rookontwikkeling;
het vuur mag slechts een geringe omvang hebben en mag niet worden ontstoken bij krachtige wind;
de stookplaats mag een maximale omvang hebben van 10 m2 met een hoogte van maximaal 2,5 meter;
de verbranding mag slechts plaats vinden met inachtneming van een voldoende afstand tot bouwwerken (tenminste 50 meter), tot bosgebied (tenminste 100 meter) en tot de kant van oppervlakte water (tenminste 10 meter);
het stoken van vuur mag niet plaatsvinden binnen de bebouwde kom of in een bodembeschermingsgebied;
de omgeving van de stookplaats moet worden vrijgehouden van brandbare materialen, zoals dode bladeren, gras e.d.;
het is verboden om het vuur te ontsteken met behulp van brandbare vloeistoffen zoals benzine, petroleum of oliën;
in de nabijheid van het vuur dienen brandblusmiddelen aanwezig te zijn;
alvorens de stookplaats te verlaten dient het vuur goed gedoofd te zijn en de vuurresten te zijn afgedekt met een zand- of grondlaag van tenminste 0,10 meter;
alle door de brandweer gegeven bevelen dienen steeds stipt en onmiddellijk te worden opgevolgd; voorts dienen alle aanwijzingen van de milieutoezichthouder en/of BOA te worden opgevolgd. Indien hier geen gevolg aan wordt gegeven dooft de brandweer het vuur en worden de kosten verhaald;
op grond van de weersgesteldheid kan de brandweer, de politie of de milieutoezichthouder/BOA de opdracht geven om het stoken van het vuur tijdelijk uit te stellen;
de verbrandingsresten dienen uiterlijk een dag na het stoken geheel te zijn verwijderd; de verbrandingsresten dienen te worden afgevoerd naar een daartoe bevoegde verwerkingsinrichting. De verbrandingsresten dienen in afwachting van afvoer te worden bewaard in daartoe geschikte emballage;
voor het stoken van vuur is toestemming nodig van de grondeigenaar;
de verbranding mag ingevolge art. 13 Wet bodembescherming geen bodemverontreiniging veroorzaken. De houder van deze ontheffing dient daarvoor voldoende maatregelen te nemen;
het verbranden van snoeihout mag alleen plaatsvinden in de periode 1 november-1 april tussen zonsopgang en zonsondergang;
op een zaterdag, zon- en feestdag mag er niet worden gestookt;
van de voorgenomen verbranding dient de gemeente Groesbeek minstens 5 werkdagen vooraf in kennis te worden gesteld door indiening van een meldingsformulier verbranden van snoeihout;
De ontheffing en melding dienen tijdens het stoken aan controlerende instanties zoals de politie onmiddellijk getoond te worden;
Artikel 5.
Voorschriften ontheffing
Onderdeel van Beleidsregels voor het verbranden van snoeihout en zieke planten en voor het houden van kampvuren 2015