Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 2.6

Wijziging en intrekking

Onderdeel van Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur 2015

1.. Het college kan de vergunning als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid wijzigen of intrekken, indien: de netbeheerder niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de vergunning, of de in de vergunning opgenomen termijn, met de werkzaamheden als omschreven in de vergunning is begonnen; de in de vergunning benoemde werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van zes maanden stilliggen; de netbeheerder de leiding definitief buiten gebruik heeft gesteld; de vergunning is verleend op basis van onjuiste of onvolledige gegevens; de vergunning in strijd met enig wettelijk voorschrift is afgegeven; de netbeheerder het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de vergunningvoorschriften niet naleeft; na het verlenen van de vergunning naar het oordeel van het college gegronde aanleiding bestaat te veronderstellen dat het van kracht blijven van de vergunning onaanvaardbare schadelijke gevolgen heeft voor mens, natuur of milieu en hieraan door het stellen van nadere voorschriften en beperkingen aan de verleende vergunning niet kan worden tegemoetgekomen; dit naar het oordeel van het college redelijkerwijs nodig is vanwege de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak. 2.. Het college gaat niet over tot intrekking of wijziging van de vergunning dan nadat het college de houder van de vergunning heeft gehoord. 3.. Aan het besluit tot wijziging of intrekking van de vergunning kan de verplichting worden verbonden om de betreffende leiding(en) aan te passen of deze te verwijderen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel