Geen recht op individuele studietoeslag heeft de persoon die:
1. reeds het maximale recht op WSF/WTOS heeft ontvangen, of
2. op de peildatum inkomsten anders dan WSF/WTOS ontvangt, welke hoger zijn dan het recht op studietoeslag per maand.
Ad 2:
In de verordening Individuele studie- en inkomenstoeslag 2015 staat in artikel 3 sub f opgenomen dat belanghebbenden die op de datum van aanvraag inkomsten, anders dan studiefinanciering/ WTOS ontvangen, geen recht hebben op de individuele studietoeslag. Het is echter niet de bedoeling geweest, om hiermee een ieder die inkomsten heeft uit een andere bron, welke minder bedragen dan de hoogte van de studietoeslag, uit te sluiten van het recht op studietoeslag. Het moet belanghebbenden, die ondanks hun beperkingen toch trachten hun inkomen te verhogen door te gaan werken, immers niet financieel duperen, ten opzichte van belanghebbenden, die deze moeite niet nemen.
Ook moet het belanghebbenden, die bijvoorbeeld tot hun 21e jaar nog een minimaal bedrag aan kinderalimentatie ontvangen, lager dan het maximale recht op individuele studietoeslag, niet financieel duperen ten opzichte van belanghebbenden die naast de WSF/WTOS niets aan inkomsten genieten. De bedoeling is dan ook om, indien er op de datum aanvraag minimale inkomsten zijn, welke lager zijn dan de hoogte van de studietoeslag, de studietoeslag te verstrekken onder verrekening van de aanwezige inkomsten. Mocht gedurende het jaar waarin de individuele studietoeslag is toegekend, blijken dat sprake is geweest van inkomsten die niet zijn opgegeven, dan dienen deze, voor zover mogelijk, verrekend te worden met het recht op individuele studietoeslag in de volgende maanden (mag maximaal gedurende zes maanden op grond van artikel 58 lid 4 Participatiewet). Voor zover de niet opgegeven inkomsten niet kunnen worden verrekend met de toegekende individuele studietoeslag, dienen de inkomsten op grond van artikel 58 lid 1 Participatiewet, teruggevorderd te worden.
Artikel 4: Aantoonplicht doelgroep
Belanghebbende dient aan te tonen dat hij tot de doelgroep behoort, middels het inleveren van de volgende bewijsstukken: 1. Een bewijs dat er op de peildatum recht bestaat op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of recht op een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; 2. Bewijsstuk van betaling collegegeld of schoolgeld; 3. Bewijsstuk van inschrijving bij een onderwijsinstelling; 2. Optioneel een bewijs dat de persoon niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Dit zou beoordeeld kunnen worden aan de hand van reeds beschikbare gegevens over de persoon vanuit bijvoorbeeld het UWV of de voormalige school. Deze gegevens mogen op de aanvraagdatum niet ouder zijn dan twee jaar. Bij het ontbreken van dit bewijs dient dit middels een intern of extern advies door de gemeente te worden vastgesteld; 3. Bewijzen waaruit blijkt dat er op het moment van aanvraag geen sprake is van in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet; 4. Bewijzen waaruit blijkt dat er naast de inkomsten uit WSF of WTOS geen andere inkomsten worden genoten, boven het maximale bedrag aan studietoeslag;
Ad. 1
Dat een persoon recht moet hebben op studiefinanciering of een WTOS-tegemoetkoming, betekent niet dat deze persoon ook daadwerkelijk studiefinanciering of een tegemoetkoming moet ontvangen. Het recht op studiefinanciering bestaat, afhankelijk van iemands gekozen opleiding, leeftijd en inkomen. Of van dit recht gebruik gemaakt wordt is niet in de Participatiewet geregeld en is geen vereiste voor het ontvangen van een individuele studietoeslag op grond van de Participatiewet. Voor het recht op een individuele studietoeslag is het dan ook voldoende dat een persoon recht heeft op studiefinanciering of een tegemoetkoming.
De persoon zal - als aanvrager van de toeslag - aannemelijk moeten maken dat hij recht op studiefinanciering of een tegemoetkoming heeft, bijvoorbeeld door een beschikking van DUO.
Ad. 2
Als belanghebbende zelf niet beschikt over bewijzen omtrent zijn arbeidshandicap, en zijn onvermogen om met arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen, dient het college dit vast te stellen. Hiertoe maakt het college gebruik van de Wegwijzer van Dariuz. Mocht immers hieruit blijken dat de belanghebbende tot de doelgroep van de loonkostensubsidie behoort (een maximale arbeidsprestatie met een loonwaarde tussen 30% en 80% van het wettelijk minimumloon), zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 onder e van de Participatiewet, dan kan daaruit eveneens worden afgeleid dat belanghebbende niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon. Als belanghebbende geen medisch rapport kan overleggen dan wel niet meewerkt aan een dergelijk onderzoek, dan bestaat er geen recht op de studietoeslag. Indien het college heeft vastgesteld dat belanghebbende behoort tot de doelgroep zoals bedoeld in artikel 36b lid 1d van de Participatiewet, dan kan het college maximaal 5 jaar bij vervolgaanvragen voor de studietoeslag ervan uitgaan dat er bij belanghebbende nog steeds sprake is van een arbeidshandicap.
Artikel 5: Hardheidsclausule
Het college kan in de gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien, dan wel in gevallen waarin toepassing van deze beleidsregel leidt tot onevenredig nadelige gevolgen voor de belanghebbende, besluiten om op individuele gronden van deze beleidsregels af te wijken.
Hoofdstuk
Artikel 3:
Geen recht op individuele studietoeslag
Onderdeel van Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ, Bbz; Bijzondere bijstand Barendrecht 2015