**1..** In de beleidskaders zoals bedoeld in artikel 4 wordt vastgelegd
welke voorzieningen het college in ieder geval kan aanbieden. Ook
staan hierin de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover
in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.
**2..** Een voorziening wordt alleen ingezet, als het volgens het college
niet mogelijk is zonder die voorziening algemeen geaccepteerde
arbeid te vinden of terug te keren naar onderwijs dat het Rijk
bekostigt.
**3..** Bij de inzet van voorzieningen kiest het college voor die
voorziening die beschikbaar, adequaat en toereikend is voor het doel
dat daarmee beoogd wordt.
**4..** Het college kan een voorziening beëindigen, als:
de persoon die aan de voorziening deelneemt, zijn
verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9 en 17 van de wet,
artikelen 13 en 37 van de IOAW/IOAZ niet nakomt;
de persoon die deelneemt aan de voorziening, niet meer
behoort tot de doelgroep van de wet, de IOAW of de
IOAZ;
de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt en
hierdoor niet meer afhankelijk is van een uitkering;
naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.
de voorziening niet langer noodzakelijk is voor
arbeidsinschakeling of daaraan niet blijkt bij te
dragen;
belanghebbende of werkgever onvoldoende medewerking verleent
aan de tenuitvoerlegging van de voorziening;
de voorziening anderszins niet langer noodzakelijk is.
HOOFDSTUK 2.
Artikel 5.
Algemene bepalingen over voorzieningen.
Onderdeel van Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Delft 2015