Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 13

lid 2 onderdeel c

Onderdeel van Beleidsregel scholingsplicht voor jongeren gemeente Heerlen 2015

Geen recht op algemene bijstand heeft degene die jonger is dan 27 jaar en uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen en: 1°. in verband daarmee aanspraak heeft op studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering 2000, dan wel 2°. in verband daarmee geen aanspraak heeft op studiefinanciering en dit onderwijs niet volgt. Jongeren die uit Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen en daarmee aanspraak hebben op studiefinanciering komen niet in aanmerking voor algemene bijstand. De wetgever verwacht van de jongeren dat ze de mogelijkheden binnen het reguliere onderwijs volledig benutten. Daarnaast wordt studiefinanciering gezien als een passende en toereikende voorliggende voorziening. Studiefinanciering bestaat uit een basisbeurs, een basislening en een aanvullende beurs/lening. Uit de definitie van het begrip studiefinanciering valt de lening hier ook onder. Als de jongere geen aanspraak meer kan maken op de basisbeurs en aanvullende beurs, maar wel kan lenen bij het DUO dan is de omschrijving “aanspraak maken op studiefinanciering” zoals opgenomen in art 13 lid 2 onder c Participatiewet ook van toepassing. Als deze mogelijkheid er is dan ziet de wetgever geen reden om algemene bijstand te verstrekken. Het volgen van uit Rijks kas bekostigd onderwijs is eveneens mogelijk zonder de jongere aanspraak kan maken op studiefinanciering. Voorbeelden hiervan zijn het voortgezet onderwijs en BBL. De wetgever stelt als de jongere een door het Rijk gefinancierde opleiding kan volgen en hij weigert dit of laat dit na dan is er géén recht op bijstand. Volgt de jongere de opleiding wel maar kan geen beroep doen op studiefinanciering dan komt de jongere in aanmerking voor algemene bijstand. De wetgever heeft niet toegelicht wat hij precies bedoeld met het “ kunnen volgen” van door het Rijk bekostigd onderwijs. Schulinck gaat ervan uit dat het kunnen volgen niet alleen het daadwerkelijke inschrijven is, maar ook of van de jongere dit redelijkerwijs verwacht kan worden. Daarbij kunnen er allerlei omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat een jongere tijdelijk of niet in staat is om regulier onderwijs te volgen, zoals fysieke, psychische beperkingen of de capaciteit ontbreekt. Als er nog mogelijkheden zijn voor de jongere om regulier onderwijs te volgen en deze mogelijkheden zijn onvoldoende benut dan moet het college bijstand weigeren. Ter beoordeling kan de startkwalificatie een ijkpunt zijn. Het gaat dan over een HAVO,- VWO of MBO 2 diploma. Heeft een jongere niet over een startkwalificatie dan wordt van de jongere verwacht dat hij verder studeert. Maar heeft de jongere wel een startkwalificatie dan moet onderzocht worden in hoeverre het verder studeren bijdraagt aan het vergroten van de kansen op de arbeidsmarkt. Wordt door het volgen van de studie de kansen op de arbeidsmarkt vergroot dan mag je van de jongere verwachten dat hij verder studeert. Met deze beleidsregel wordt het “kunnen volgen” van door het Rijk bekostigd onderwijs gedefinieerd. Middels de zelfredzaamheidsladder en het onderzoek van het college wordt bepaald of de jongere in staat is om door het Rijk bekostigd onderwijs te volgen. Artikelsgewijze toelichting beleidsregel scholingsplicht voor jongeren De artikelsgewijze toelichting is beperkt tot die artikelen die ook een toelichting behoeven.

Rechtspraak bij dit artikel