Geen recht op algemene bijstand heeft degene die jonger is dan 27 jaar en
uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen en:
1°. in verband daarmee aanspraak heeft op studiefinanciering op grond
van de Wet op de studiefinanciering 2000, dan wel
2°. in verband daarmee geen aanspraak heeft op studiefinanciering en
dit onderwijs niet volgt.
Jongeren die uit Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen en daarmee
aanspraak hebben op studiefinanciering komen niet in aanmerking voor
algemene bijstand. De wetgever verwacht van de jongeren dat ze de
mogelijkheden binnen het reguliere onderwijs volledig benutten. Daarnaast
wordt studiefinanciering gezien als een passende en toereikende
voorliggende voorziening. Studiefinanciering bestaat uit een basisbeurs, een
basislening en een aanvullende beurs/lening. Uit de definitie van het begrip
studiefinanciering valt de lening hier ook onder. Als de jongere geen
aanspraak meer kan maken op de basisbeurs en aanvullende beurs, maar
wel kan lenen bij het DUO dan is de omschrijving “aanspraak maken op
studiefinanciering” zoals opgenomen in art 13 lid 2 onder c Participatiewet ook van toepassing. Als deze mogelijkheid er is dan ziet de wetgever geen reden om algemene bijstand te verstrekken.
Het volgen van uit Rijks kas bekostigd onderwijs is eveneens mogelijk zonder
de jongere aanspraak kan maken op studiefinanciering. Voorbeelden hiervan
zijn het voortgezet onderwijs en BBL. De wetgever stelt als de jongere een
door het Rijk gefinancierde opleiding kan volgen en hij weigert dit of laat dit
na dan is er géén recht op bijstand. Volgt de jongere de opleiding wel maar
kan geen beroep doen op studiefinanciering dan komt de jongere in
aanmerking voor algemene bijstand.
De wetgever heeft niet toegelicht wat hij precies bedoeld met het “ kunnen
volgen” van door het Rijk bekostigd onderwijs. Schulinck gaat ervan uit dat
het kunnen volgen niet alleen het daadwerkelijke inschrijven is, maar ook of
van de jongere dit redelijkerwijs verwacht kan worden. Daarbij kunnen er
allerlei omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat een jongere tijdelijk of niet
in staat is om regulier onderwijs te volgen, zoals fysieke, psychische
beperkingen of de capaciteit ontbreekt.
Als er nog mogelijkheden zijn voor de jongere om regulier onderwijs te
volgen en deze mogelijkheden zijn onvoldoende benut dan moet het college
bijstand weigeren.
Ter beoordeling kan de startkwalificatie een ijkpunt zijn. Het gaat dan over
een HAVO,- VWO of MBO 2 diploma. Heeft een jongere niet over een
startkwalificatie dan wordt van de jongere verwacht dat hij verder studeert.
Maar heeft de jongere wel een startkwalificatie dan moet onderzocht worden
in hoeverre het verder studeren bijdraagt aan het vergroten van de kansen
op de arbeidsmarkt. Wordt door het volgen van de studie de kansen op de
arbeidsmarkt vergroot dan mag je van de jongere verwachten dat hij verder
studeert.
Met deze beleidsregel wordt het “kunnen volgen” van door het Rijk bekostigd
onderwijs gedefinieerd. Middels de zelfredzaamheidsladder en het onderzoek
van het college wordt bepaald of de jongere in staat is om door het Rijk
bekostigd onderwijs te volgen.
Artikelsgewijze toelichting beleidsregel scholingsplicht voor jongeren
De artikelsgewijze toelichting is beperkt tot die artikelen die ook een
toelichting behoeven.
Hoofdstuk
Artikel 13
lid 2 onderdeel c
Onderdeel van Beleidsregel scholingsplicht voor jongeren gemeente Heerlen 2015