2.6.1 Verstrekking als geldlening of borgtocht
Wanneer iemand niet over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien kan bijstand worden verleend. Hieruit vloeit voort dat de bijstand in principe `om niet´ wordt verstrekt. Dit sluit niet uit dat in bepaalde gevallen de bijstand in de vorm van een geldlening of borgtocht wordt verstrekt of teruggevorderd wordt. Dit geldt zowel voor algemene als bijzondere bijstand.
In de wet is geregeld wanneer de bijstand kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, namelijk als:
redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoen- de middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien (artikel 48 lid 2 sub a Participatiewet).
Er zijn situaties waarin de belanghebbende feitelijk over voldoende middelen (inkomen dan wel vermogen) beschikt of gaat beschikken, terwijl hij het geld nog niet in handen heeft. Hierbij moet aandacht te zijn voor het volgende:
De aanspraak op deze middelen moet voldoende aannemelijk zijn. Staat die aanspraak voldoende vast dan kan de bijstand in de vorm van een geldlening worden verleend, als aan het tweede element wordt voldaan. Het tweede element is dat de middelen op korte termijn beschikbaar komen. De duur van de termijn is niet wettelijk vastgelegd. Uitgegaan wordt van een termijn van maximaal 12 maanden. Is de termijn langer, dan kan niet meer van een korte termijn worden gesproken.
Als aan een van de twee bovengenoemde elementen niet wordt voldaan, kan geen bijstand in de vorm van een geldlening worden verstrekt. Bijstandsverlening vindt dan volgens de hoofdregel in artikel 48 lid 1 Participatiewet om niet plaats.
Mocht er achteraf alsnog sprake zijn van middelen die betrekking hebben op de periode waarin bijstand is verleend dan kan de bijstand op grond van artikel 58 lid 2, onder f, sub 1 Participatiewet en het door de gemeente vastgestelde terugvorderingsbeleid worden teruggevorderd.
de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan (artikel 48 lid 2 sub b Participatiewet).
Als de noodzaak tot bijstandsverlening is ontstaan door verwijtbaar handelen of nalaten van belanghebbende dan wordt de bijstand in de vorm van een geldlening verstrekt. Van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid is over het algemeen sprake als de belanghebbende zichzelf door eigen toedoen in bijstandsbehoevende omstandigheden brengt. Hierbij kan gedacht worden aan het niet aanvragen van een voorliggende voorziening, terwijl de mogelijkheid daartoe inmiddels is verstreken.
In dat geval wordt eerst gekeken of het tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de bestaanskosten, dat de verstrekking geheel of gedeeltelijk geweigerd dient te worden (afstemming op grond van artikel 18 Participatiewet), De bijstand die wordt vervolgens verleend in de vorm van een renteloze geldlening.
de aanvraag een door de belanghebbende te betalen waarborgsom betreft (artikel 48 lid 2 sub c Participatiewet).
In verschillende situaties kan het voorkomen dat de belanghebbende een waarborgsom moet vol doen ter verkrijging van een bepaalde prestatie. Bijvoorbeeld bij het betrekken van nieuwe woonruimte moet de huurder soms een waarborgsom betalen. Over het algemeen, krijgt de huurder deze waarborgsom bij beëindiging van het huurcontract weer terug. De waarborgsom blijft in feite toebehoren aan de huurder maar hij kan er niet over beschikken. Er kan een noodzaak bestaan om voor deze kosten bijzondere bijstand te verlenen. Omdat de waarborgsom over het algemeen weer zal worden terugbetaald aan de belanghebbende wordt de bijstand verstrekt in de vorm van een lening.
het bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast betreft (artikel 48 lid 2 sub d en artikel 49 Participatiewet).
Op grond van artikel 13 lid 1 sub g Participatiewet kan er geen bijstand worden verleend als de belanghebbende bij het ontstaan van de schulden, of daarna, over voldoende middelen beschikte. Dit betekent dat alleen bijstand voor schulden kan worden verleend wanneer het ontstaan van de schulden het directe gevolg is van het ontvangen van een inkomen beneden bijstandsniveau.
Over het algemeen betreft dit situaties waarin het maken van schulden noodzakelijk was om in het levensonderhoud te kunnen voorzien. In dat geval kan bij wijze van uitzondering bijstand verleend worden, doch wel in de vorm van borgtocht of een geldlening.
er wordt bijstand verleend voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen (artikel 51 Participatiewet).
Een duurzaam gebruiksgoed is een goed dat in principe meerdere jaren gebruikt kan worden (bijvoorbeeld een koelkast, meubels of vloerbedekking). De kosten van aanschaf en/of vervanging van duurzame gebruiksgoederen horen in principe tot de (incidenteel) voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kosten moeten dan ook worden voldaan uit het norminkomen en de aanwezige draagkracht, door reservering vooraf (sparen) dan wel door aflossing in termijnen achteraf (lenen). Als belanghebbende door bijzondere omstandigheden niet in de gelegenheid was om te reserveren en ook het aangaan van een lening bij een bank niet tot de mogelijkheden behoort, dan kan op grond van artikel 51 WWB bijstand voor deze kosten worden verleend in de vorm van een geldlening.
2.6.2 Looptijd lening: wanneer bijzondere bijstand in de vorm van een lening wordt verstrekt)
In principe is de aflossing vastgesteld op maximaal 3 jaar. Wanneer er na de aflossing van 36 maanden volledig betaalde maandelijkse aflossingsbedragen nog een restant bestaat, dan wordt het resterende gedeelte kwijtgescholden.
Kwijtschelding vindt niet plaats indien:
vooraf bekend is dat belanghebbende op korte termijn een aanzienlijk hoger bedrag kan aflossen of
als de belanghebbende in de eerste drie jaar twee keer achtereen nalatig is geweest met het aflossen van de maandelijkse termijnen.
De looptijd kan ook langer zijn dan 3 jaar. Dit is het geval wanneer de belanghebbende een tekort- schietend besef van verantwoordelijk voor de voorziening in het bestaan verweten kan worden met betrekking tot het ontstaan of voortduren van de situatie welke tot het verstrekken van bijstand in de vorm van een geldlening leidt. De looptijd wordt dan maximaal 5 jaar.
Meerdere geldleningen
Als er sprake is van meerdere geldleningen op hetzelfde moment, wordt gestart met de aflossing van de geldlening waarin het hoogste bedrag aan bijzondere bijstand is toegekend. Aansluitend aan de aflossing van eerstgenoemde geldlening wordt de volgende geldlening afgelost.
2.6.3 Hoogte aflossing leenbijstand
Voor de hoogte van de aflossing wordt aansluiting gezocht bij de normen zoals vastgesteld door de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK). Dit betekent dat de hoogte van de aflossing van de geldlening 6% bedraagt van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, inclusief vakantietoeslag.
Bij een inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt de aflossing verhoogd met 50% van deze meerinkomsten.
Hoofdstuk 2.
Artikel 2.6
Vorm van de bijzondere bijstand
Onderdeel van Beleidsregel Bijzondere Bijstand Gemeente Oldebroek 2015