Evenals hetgeen in de toelichting van artikel 18 en 19 over de aldaar besproken bepalingen aangegeven is, is er geen wettelijke grondslag voor herziening en intrekking van het recht op een tegemoetkoming alsmede voor terugvordering van een ten onrechte of tot een te hoog verstrekte tegemoetkoming. Om in specifieke gevallen van doelbewust misbruik dan wel andere handelingen met een verwijtbaar karakter toch een instrument te hebben om een ten onrechte of teveel verstrekte tegemoetkoming te kunnen terughalen - en indien nodig een signaal aan de ingezetene, huishouden en eventueel diens omgeving af te geven - is met onderhavig artikel de mogelijkheid tot herziening en intrekking alsmede terugvordering daarvan geschapen. Echter om tot terugvordering te kunnen overgaan is allereerst herziening of intrekking van het toegekende recht op een tegemoetkoming noodzakelijk (eerste lid). Met een dergelijke - voor bezwaar en beroep vatbare - herzienings- of intrekkingsbeschikking ontstaat er een zogenaamde onverschuldigde betaling. Met deze onverschuldigde betaling is er een basis om een besluit tot terugvordering van de ten onrechte of tot een hoog bedrag verstrekte tegemoetkoming te nemen. Met een - eveneens voor bezwaar en beroep vatbare - beschikking tot terugvordering ontstaat er een (bestuursrechtelijke) geldschuld, waarvoor de bepalingen voor de afwikkeling van de verplichtingen tot de betaling van deze schuld en die voor de invordering van titel 4.4, bestuursrechtelijke geldschulden, van de Algemene wet bestuursrecht in acht genomen moeten worden. Indien de ingezetene of het huishouden weigerachtig blijft terug te betalen is echter geen invordering bij dwangbevel (par.4.4.4.2) - die een directe executoriale titel verschaft - mogelijk, daar er geen (verplicht) wettelijk voorschrift voor invordering bij dwangbevel voor een tegemoetkoming op grond van de gemeentelijke minimaregelingen bestaat. In dat geval resteert niet anders dan op grond van art. 6:203 van het Burgerlijk Wetboek via de civiele rechter een executoriale titel voor (dwang)invordering te verkrijgen. Dit is echter een arbeidsintensieve en - afhankelijk van het terug te vorderen bedrag - kostbare procedure.
Uit de term ‘kan’ in de leden 2 en 3 blijkt dat het een bevoegdheid van het college betreft. Het college kan derhalve per individuele situatie, gelet op de mate van verwijtbaarheid en omstandigheden van de ingezetene of het huishouden, besluiten al dan niet tot intrekking of herziening resp. terugvordering over te gaan. Dit vereist echter een zorgvuldig onderzoek, rapportage en afweging van alle belangen, relevante feiten en omstandigheden alsmede een beschikking die specifiek gemotiveerd is. Ook kan daarbij een kosten-batenanalyse aan de orde zijn ten aanzien van het verwachte tijds- en middelenbeslag in relatie tot het in te vorderen bedrag.