**1..** Onder eerste inrichtingskosten wordt verstaan: de kosten voor de inrichting van een eerste woning, waaronder kosten van duurzame gebruiksgoederen.
**2..** Het college verstrekt in beginsel geen bijzondere bijstand voor deze kosten, omdat zij behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Bijzondere bijstand is alleen mogelijk in de volgende bijzondere omstandigheden:
a. belanghebbende heeft een verblijfsvergunning gekregen en betrekt voor het eerst een eigen woning;
b. belanghebbende moet een nieuw woning inrichten als gevolg van een verlating;
c. belanghebbende leeft op straat en krijgt een eigen woning toegewezen.
**3..** Indien er sprake is van bijzondere omstandigheden zoals aangegeven in lid 2 dan wordt, voor zover de eerste inrichtingskosten betrekking hebben op duurzame gebruiksgoederen, bijzondere bijstand verstrekt in de vorm van een renteloze lening (leenbijstand) op grond van artikel 51 lid 1 Participatiewet, mits belanghebbende geen lening kan afsluiten bij een gemeenschappelijke kredietbank. Een lening of borgtocht via de gemeenschappelijke kredietbank is een voorliggende voorziening.
**4..** Bij de hoogte van de bijzondere bijstand wordt uitgegaan van de adequaatst goedkoopste oplossing en wanneer een prijsvergelijking niet mogelijk is wordt aangesloten bij de prijzengids van het NIBUD, of lager als de feitelijke kosten lager uitvallen.
**5..** De hoogte van de bijzondere bijstand in de situatie zoals omschreven in lid 2 is bij een volledige wooninrichting.
a. alleenstaande op kamers € 1.250,00
b. alleenstaande zelfstandig wonend € 2.500,00
c. gezin twee personen € 4.000,00
d. voor elke persoon meer € 500,00
Hoofdstuk 2
Artikel 23
Eerste inrichtingskosten
Onderdeel van Beleidsregels bijzondere bijstand 2015