Voordat de uitkering wordt verlaagd, wordt de belanghebbende in de
gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar
voren te brengen. Hiervan kan afgezien worden als:
de belanghebbende zijn zienswijze al eerder kenbaar heeft
gemaakt en er geen sprake is van nieuwe feiten of
omstandigheden; of
binnen de gestelde termijn niet is voldaan aan de
inlichtingenplicht; of
het horen niet nodig is voor het vaststellen van de ernst van de
gedraging of de mate van verwijtbaarheid.
§ 3.1
Artikel 26
Horen van belanghebbende(n)
Onderdeel van Verzamelverordening P-wet, IOAW IOAZ en Bbz gemeente Dongen