Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 69

Volgorde van invordering

Onderdeel van Verzamelbeleidsregels Participatiewet IOAW, IOAZ, Bbz 2015

Het is mogelijk dat de belanghebbende verschillende vorderingen heeft bij de gemeente. In artikel 4:92, tweede lid van de Awb is in dat geval bepaald dat de belanghebbende bij de aflossing zelf kan aangeven op welke vordering dit bedrag in mindering moet worden gebracht. In de P-wet is niets geregeld over de volgorde van invordering van vorderingen en/of boetes. Het is niet wenselijk dat hierover niets is geregeld en om deze reden is dit beleidsartikel opgenomen. In het eerste lid is bepaald dat de aflossingen het eerst in mindering worden gebracht op de oudste vordering, tenzij er ook sprake is van een boete. Hiermee wordt recht gedaan aan het lik op stuk beleid dat het Ministerie voorstaat als het gaat om de invordering van boetes. Boetes worden bij voorrang geïnd. Echter kunnen er situaties ontstaan, waarin dit toch ongewenste effecten heeft. De boete is een concurrente vordering en wordt bij beslaglegging door een preferente schuldeiser opzij gezet. Bij beslaglegging door een concurrente schuldeiser zou de aflossingsruimte naar rato verdeeld moeten worden. Dit zou betekenen dat de gemeente noch de vordering noch de boete int, ofwel de boete minder snel zou kunnen innen. De bijstandsvordering is wel preferent. Door het derde lid onder a op te nemen wordt die preferentie ten uitvoer gelegd bij beslaglegging door een derde schuldeiser, zodat in elk geval een deel van de aflossingsruimte ten goede komt aan de bij de gemeente openstaande bedragen. Een ander ongewenst effect zou kunnen zijn dat de vordering gebruteerd moet worden, omdat deze vordering niet binnen het kalenderjaar kan worden afgelost vanwege de voorrang, die aan de inning van de boete wordt gegeven. Het derde lid onder b heeft dus voor ogen het voorkomen van onnodige hogere schuldenlast voor de belanghebbende.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel