**1..** Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
**2..** De burgemeester weigert de in het eerste lid bedoelde vergunning indien:
de vestiging of exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met het bestemmingsplan;
voor het gebruik als horecabedrijf geen gebruiksvergunning ex artikel 6 van de Bouwverordening is of kan worden verleend;
de inrichting niet voldoet aan de inrichtingseisen als bedoeld in het Besluit inrichtingseisen Drank- en Horecawet;
de houder geen verklaring omtrent gedrag overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven;
de in de inrichting werkzame personen niet voldoen aan de eisen als bedoeld in het Besluit eisenzedelijk gedrag Drank- en Horecawet.
**3..** De burgemeester houdt de beslissing op een verzoek om de in het eerste lid bedoelde vergunning aan indien de vestiging strijdig is met een in ontwerp ter inzage gelegd bestemmingsplan zolang de termijn als bedoeld in artikel 25 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet is verstreken, dan wel -indien het plan binnen deze termijn is vastgesteld- zolang omtrent de goedkeuring van dit plan niet onherroepelijk is beslist.
**4..** De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde in ernstige mate nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.
**5..** Bij de toepassing van de in het vierde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf, de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf en de wijze van bedrijfsvoering van de houder van het horecabedrijf in deze of andere inrichtingen, alsmede diens antecedenten.
**6..** De burgemeester weigert onverminderd het bepaalde in de Opiumwet voorts de in het eerste lid bedoelde vergunning in het belang van de openbare orde en het woon- en leefklimaat indien uit de hem ter beschikking staande gegevens kan worden afgeleid dat in het horecabedrijf middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 dier wet zullen worden bereid, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervaardigd of aanwezig zullen zijn.
**7..** In afwijking van het bepaalde in artikel 2.1.5.1 beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die ook betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.
**8..** Onverminderd het gestelde in het vierde en vijfde lid kan de burgemeester de in het zevende lid bedoelde ingebruikneming van die weg ten behoeve van een of meer bij een horecabedrijf horende terrassen weigeren:
indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor een veilig en doelmatig gebruikbaar van de weg;
indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.
**9..** Het bepaalde in het zevende en achtste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of het Provinciaal wegenreglement.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 3: › Paragraaf 1:
Artikel 2.3.1.2
Exploitatievergunning horecabedrijf
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2007