**1..** Het college kan onbeloonde maatschappelijk zinvolle werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden:
a. naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt;
b. niet zijn bedoeld als re-integratieinstrument;
c. worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en
d. niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.
**2..** De tegenprestatie wordt opgedragen voor de maximale duur van 6 maanden, voor ten minste 1 dagdeel per week;
bij personen met een aanvullende uitkering die niet meer dan 50% van de normuitkering bedraagt, wordt de omvang van de tegenprestatie naar rato vastgesteld.
**3..** Vrijgesteld van de plicht tot tegenprestatie is:
de belanghebbende die op het moment van aanvraag voor een uitkering voor tenminste twee dagdelen per week vrijwilligerswerk verricht, waarvoor toestemming is verkregen van het college;
de belanghebbende die deelneemt aan activiteiten in gevolge artikelen 10 tot en met 18;
de belanghebbende die zorgtaken verricht als mantelzorger voor tenminste 1 dagdeel per week. De uren kunnen op basis van individuele omstandigheden lager vastgesteld worden;
alleenstaande ouders die vrijstelling van de arbeidsplicht hebben in verband met de zorg voor (een) kind(eren) in de leeftijd tot 5 jaar;
de belanghebbende die duurzaam volledig arbeidsongeschikt is;
**4..** Het college bepaalt op welke wijze dient te worden aangetoond dat sprake is van een vrijstellingsgrond als bedoeld in het derde lid van dit artikel.