Naar hoofdinhoud
1.. Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning intrekken als meer dan 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning geen begin is gemaakt met het bouwen of de bouwwerkzaamheden meer dan 26 weken hebben stilgelegen. 2.. Enkel indien zich urgente en zwaarwegende belangen voordoen wordt van deze bevoegdheid na 26 weken actief gebruik gemaakt. Doen zich geen urgente en zwaarwegende belangen voor, dan wordt van de bevoegdheid tot intrekking gebruikgemaakt als meer dan 52 weken na het onherroepelijk worden van de de vergunning geen begin is gemaakt met bouwwerkzaamheden of de bouwwerkzaamheden meer dan 52 weken hebben stilgelegen. 3.. Van urgente en zwaarwegende belangen is in ieder geval sprake als voor het gebied waarbinnen het vergunde bouwwerk is gesitueerd een bestemmingsplan in voorbereiding is en het vergunde bouwwerk het toekomstig planologisch kader frustreert. Hierbij moet tenminste sprake zijn van een ontwerpbestemmingsplan welke op grond van artikel 3.8 van de Wro ter inzage is gelegd en is gepubliceerd. 4.. Aan elke vergunninghouder waarvan is geconstateerd dat niet tijdig als bedoeld in lid 2 van dit artikel een start of herstart is gemaakt met bouwen, wordt een voornemen tot intrekking van de verleende omgevingsvergunning bekend gemaakt. 5.. Ingeval een vergunninghouder een zienswijze indient, wordt beoordeeld of de zienswijze aanleiding geeft tot het gunnen van een ruimere termijn dan die genoemd in lid 2.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel