Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Langdurig laag inkomen

Onderdeel van Verordening individuele inkomenstoeslag Deurne 2015

1.. Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm voor alleenstaanden en gehuwden, 120% bij gezinnen met kinderen en eenoudergezinnen met de zorg voor minderjarig(e) kind(eren). 2.. De toepasselijke bijstandsnorm bedraagt voor toepassing van lid 1; voor gehuwden de norm genoemd in artikel 21 onder b van de wet ( exclusief de vakantietoeslag); voor alleenstaande ouder 90% van de norm genoemd in artikel 21 onder b van de wet ( exclusief de vakantietoeslag); voor alleenstaande 70% van de norm genoemd in artikel 21 onder b van de wet ( exclusief de vakantietoeslag). Bij inwoners met een eerder vastgesteld recht op de individuele inkomenstoeslag wordt bij aanvaarding van werk waarmee beëindiging van het recht op uitkering ontstaat, de inkomensgrens voor de individuele inkomenstoeslag op 130% van de toepasselijke bijstandsnorm gesteld. Het recht op de individuele inkomenstoeslag met verhoogde inkomensgrens tot 130% vanwege werkaanvaarding, geldt voor de periode van maximaal 2 kalenderjaren, oftewel 2 jaar recht op de individuele inkomenstoeslag.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel