Het college van elke deelnemer kan, na vooraf verkregen toestemming van de Raad van die gemeente, besluiten tot uittreding uit deze Regeling. Dit met in achtneming van de zienswijzeprocedure als genoemd in artikel 1 lid 3 van de Wet. Het college van de andere deelnemer wordt over het besluit geïnformeerd.
Een uittredingsbesluit treedt in werking na publicatie van het besluit overeenkomstig artikel 26 van de Wet doch niet eerder dan twee kalenderjaren na het verstrijken van het jaar, waarin het besluit tot opzegging is genomen.
Alvorens de deelnemer tot besluitvorming komt, als bedoeld in het eerste lid, wordt eerst over het voornemen overleg met de andere deelnemer gevoerd.
In het voornemen als bedoeld in het derde lid worden de motieven gegeven op grond waarvan de deelnemer wenst uit te treden.
Het besluit als bedoeld in het eerste lid wordt meteen ter kennis gebracht van het bestuur.
Het bestuur regelt de financiële verplichtingen evenals de overige gevolgen van de uittreding. De verdeling van vermogen en formatie zal zijn gebaseerd op het laatste door het bestuur vastgestelde verrekenpercentage.
Van elk besluit tot uittreding van een deelnemer wordt meteen kennis gegeven aan gedeputeerde staten.