Deze bepaling inzake de verdeling van het subsidieplafond wijkt af van de regeling in de ASA 2013. Op basis van de ASA 2013 wordt het beschikbare bedrag verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen om subsidie. In deze verordening is gekozen voor een andere systematiek.
Eerste lid:
Als het subsidieplafond lager is dan de som van de maximaal toe te kennen subsidiebedragen aan de organisaties, worden alle toe te kennen bedragen verminderd met een gelijk percentage. Dit is het zogenaamde ‘kaasschaafmodel'. Het college heeft hiervoor gekozen vanwege het uitgangspunt dat er een diverse vertegenwoordiging van de doelgroep en dus meerdere organisaties in aanmerking komen voor subsidie.
Tweede en derde lid:
Als na verlening van periodieke subsidies het subsidieplafond niet is uitgeput, kan het college gedurende de vierjaarlijkse periode periodieke subsidies of eenmalige subsidies voor een kortere termijn verlenen totdat het budget is uitgeput.
In eerste instantie verleent het college (periodieke) subsidie voor een kortere termijn (dan de vierjarige periode) aan nieuwe organisaties (zie artikel 2.1, derde lid), om te voorkomen dat de subsidieregeling ‘op slot' zit voor nieuwe aanvragers gedurende de vierjarige periode. Voor deze subsidies gelden dezelfde criteria als voor de reguliere periodieke subsidies, dat wil zeggen dezelfde voorwaarden betreffende ‘ontvanger subsidie' en ‘subsidiabele activiteiten'. Het maximale subsidiebedrag wordt tevens bepaald op basis van het aantal contribuanten van de belangenorganisatie. In het peiljaar voorafgaand aan een volgende periode kunnen deze organisaties een aanvraag doen voor die gehele periode.
In tweede instantie verleent het college (eenmalige) subsidie voor eenmalige initiatieven die de innovatie van belangenbehartiging of beleidsparticipatie tot doel hebben. Hierbij kan gedacht worden aan het proberen van een nieuwe methode van raadpleging of aan een tijdelijk samenwerkingsverband van belangenorganisaties om bijvoorbeeld allochtone leden van de doelgroep beter te bereiken. De kennis en ervaring die voortkomt uit deze initiatieven dienen overdraagbaar en beschikbaar te zijn voor de andere belangenorganisaties in de stad. Het college verleent maximaal € 10.000,- subsidie aan organisaties voor eenmalige activiteit(en).
Vierde en vijfde lid:
Om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de systematiek van de ASA 2013 is expliciet geregeld dat subsidieaanvragen op basis van artikel 1.8 vóór 1 oktober van het subsidiejaar worden gedaan. Deze aanvraagtermijn geldt ook voor eenmalige subsidies en vormt op dat punt een afwijking van de ASA 2013, die immers geen aanvraagtermijn voor eenmalige subsidies regelt. Deze afwijking is nodig, omdat voor deze wijze van verdeling van het subsidieplafond noodzakelijk is dat de aanvragen op hetzelfde tijdstip beschikbaar zijn. In het vijfde lid is geregeld dat het college op de aanvragen (zowel de aanvragen om eenmalige subsidie als de aanvragen om periodieke subsidie) moet beslissen vóór 1 januari van het subsidiejaar. Ook dit dient om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de systematiek van de ASA 2013 en vormt op het punt van de eenmalige subsidies een noodzakelijke afwijking van de ASA 2013.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 1.8
Verdeelsleutel subsidieplafond
Onderdeel van Bijzondere Subsidieverordening Belangenbehartiging