Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 4.7

Aanvullende criteria voor woonvoorzieningen

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015

1.. In aanvulling op artikel 4.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor een woonvoorziening als hij aantoonbare beperkingen heeft bij het normaal gebruik van zijn woning, en alles heeft gedaan om een geschikte woning te bewonen, of een op basis van aantoonbare beperkingen aanwezige gedragsstoornis heeft met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon met beperkingen tot rust kan komen. 2.. Een cliënt kan alleen voor een woonruimteaanpassing in aanmerking komen wanneer deze langdurig noodzakelijk is en verhuizing niet mogelijk is of niet de goedkoopst adequate voorziening is. 3.. Een persoon met beperkingen kan alleen voor woonvoorzieningen in aanmerking komen als hij rechtmatig een woonruimte bewoont, geen tijdelijke huurovereenkomst heeft en de ondervonden beperkingen in de woonruimte niet voortvloeien uit de aard van de in de woonruimte gebruikte materialen of uit de slechte staat van onderhoud van de woonruimte. 4.. Een woonvoorziening wordt slechts verstrekt als de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen, dan wel voor het logeerbaar maken van een andere woonruimte dan waar de cliënt met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft, als het hoofdverblijf van de cliënt een erkende zorginstelling is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel