**1..** Het college kent in aanvulling op artikel 4.1 een persoonsgebonden budget toe als naar het oordeel van het college is vastgesteld dat:
cliënt, al dan niet met hulp uit zijn sociale netwerk dan wel een door cliënt aangewezen gemachtigde of een door de rechter aangewezen wettelijk vertegenwoordiger, in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel in staat is te achten om de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren;
is gemotiveerd dat een cliënt een persoonsgebonden budget wenst;
is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woonruimteaanpassingen en andere maatregelen die met het persoonsgebonden budget betaald moeten worden veilig, doeltreffend en cliëntgericht zijn.
**2..** Het college kent geen persoonsgebonden budget toe als
in de drie jaren, voorafgaand aan de datum van het onderzoek, toepassing is gegeven aan artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel a, d, en e van de wet;
er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet;
het een voorziening voor opvang of aanvullend openbaar vervoer betreft;
voor zover het persoonsgebonden budget is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij voldaan is aan door het college te stellen nadere voorwaarden;
voor zover dit is bedoeld voor de betaling van tussenpersonen of belangenbehartigers;
voor zover dit is bedoeld voor ondersteunings- of administratiekosten in verband met het persoonsgebonden budget.
**3..** Het persoonsgebonden budget bedraagt maximaal de kosten van de maatwerkvoorziening in natura.
**4..** De hoogte van een persoonsgebonden budget voor ondersteuning in de vorm van dienstverlening uit het sociale netwerk, bedraagt maximaal een door het college vast te stellen bedrag.
**5..** Een cliënt aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woonruimteaanpassingen en andere maatregelen onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk:
als de dienst zorg omvat waarvoor krachtens landelijk geldende kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is, beschikt de persoon over de desbetreffende kwalificatie;
deze persoon heeft niet aangegeven dat de ondersteuning aan de cliënt hem te zwaar valt, en
de persoon uit het sociaal netwerk van wie de dienst wordt betrokken zal niet het budget beheren, behalve met toestemming van het college vanwege bijzondere omstandigheden.
Hoofdstuk
Artikel 4.2
Aanvullende criteria persoonsgebonden budget
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015