Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel 5.3.1

Bijdrageplicht Maatwerkvoorzieningen

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015

1.. De bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening is inkomensafhankelijk, met uitzondering van de ritbijdrage voor collectief vervoer. 2.. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is ten hoogste gelijk aan de maximale bijdrage die mogelijk is op grond van het uitvoeringsbesluit, waarbij geldt dat zij nooit hoger is dan de kostprijs van de voorziening. 3.. De bijdrage in de kosten voor een persoon met beperkingen van 18 jaar en ouder is per vier weken: € 0,00 voor gehuwden en duurzaam samenwonenden indien een van beide de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en zij een gezamenlijk bijdrageplichtig inkomen hebben van maximaal € 35.000,00; € 13,00 voor gehuwden en duurzaam samenwonenden indien beiden de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt en zij een gezamenlijk bijdrageplichtig inkomen hebben van maximaal € 23.525,00; € 13,00 voor een ongehuwde die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en een bijdrageplichtig inkomen heeft van maximaal € 22.632,00; € 13,00 voor een ongehuwde die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en een bijdrageplichtig inkomen heeft van maximaal € 17.033,00. 4.. Indien het inkomen van de persoon met beperkingen meer bedraagt dan de inkomens genoemd in het derde lid onder a tot en met d dan worden de daar genoemde bedragen verhoogd met een dertiende deel van 10% van het verschil tussen zijn inkomen en het inkomen genoemd in het derde lid onder a tot en met d. 5.. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening wordt berekend op basis van: als de dienst per uur wordt geleverd, de gecontracteerde uurprijs en de geleverde uren; voor woon- en vervoersvoorzieningen, de laagste kostprijs die de gemeente betaalt voor de voorziening; voor overige gevallen per periode en op basis van de vergoeding die de gemeente voor de dienstverlening over die periode verschuldigd is; voor een persoonsgebonden budget voor bijdrageplichtige diensten en woon- en vervoersvoorzieningen: op basis van het door de cliënt bestede bedrag. 6.. Het college brengt de bijdrage voor de volgende periode in rekening: voor dienstverlening: zolang de toekenning voor de dienstverlening niet is ingetrokken en er in een periode ondersteuning is geboden; voor een voorziening in natura, anders dan onder a: zolang de cliënt gebruik maakt van of in het bezit is van de voorziening, en waar van toepassing tot maximaal de kostprijs van een eenmalig verstrekte voorziening; bij een periodieke verstrekking van een persoonsgebonden budget: over iedere periode waarover een persoonsgebonden budget is verstrekt; voor kortdurend verblijf: het aantal etmalen dat de cliënt gebruik heeft gemaakt van de voorziening. 7.. Als een persoon over een periode voor meerdere voorzieningen een bijdrage is verschuldigd, dan komt de betaalde bijdrage allereerst ten goede aan de voorziening die eenmalig is verstrekt en waarvoor het college geen huur verschuldigd is. 8.. Wanneer meerdere personen gebruik maken van één voorziening, wordt de bijdrage berekend over de kosten gedeeld door het aantal bijdrageplichtige gebruikers. 9.. Het college kan nadere regels stellen inzake de aard, inhoud en hoogte van de bijdrage.

Rechtspraak bij dit artikel