Naar hoofdinhoud
1. . De uitkeringsgerechtigde die parttime werkt, bouwt zolang hij of zij recht houdt op uitkering, een aanspraak op premie deeltijdwerk op. 2. . De aanspraak op deeltijdpremie bedraagt per maand 30% van de inkomsten uit arbeid die de uitkeringsgerechtigde in de periode voorafgaand aan het betaalmoment (zie lid 5) heeft verdiend. Het bedrag van een inkomstenvrijlating (zie lid 3) die met betrekking tot deze inkomsten zijn toegepast, worden op de opgebouwde aanspraak in mindering gebracht. 3. . Het college gaat bij het vaststellen van de hoogte van de premie uit van de op dat moment wettelijke maximale premievrijlating (als bedoeld in artikel 31, lid 2, onder j, Participatiewet (Pw). Voor het eerste half jaar van 2021 bedraagt deze (voor een heel jaar) € 2.629 en maandelijks maximaal netto € 219. De premie wordt halfjaarlijks geïndexeerd; de vrijlating wordt conform aangepast. 4. . Bij personen die toestemming hebben om gebruik te maken van de Regeling bescheidenschaal, recht hebben op aanvullende bijstand op grond van de Pw IOAW of IOAZ , en inkomsten uit zelfstandige activiteiten hebben, wordt het recht op bijstand achteraf op jaarbasis vastgesteld. De premie wordt jaarlijks (na vaststelling) achteraf uitbetaald. 5. . Het college betaalt de premie in twee uitbetalingsmomenten uit, te weten in juni en november van elk jaar; voor personen met een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ geldt één betalingsmoment, te weten het eerstvolgende uitbetalingsmoment in juni of november. 6. . Voor gehuwden geldt dat het bepaalde in het tweede en derde lid voor hen tezamen geldt. Indien de premie samen hoger is dan het maandelijkse maximale bedrag, wordt het meerdere bij degene met de hoogste premie in mindering gebracht. De uitbetaling van de premie vindt plaats aan degene met het hoogste inkomen. 7. . Het college verstrekt de premie aan personen onder de 27 jaar eerst dan nadat zij volledig uitkeringsonafhankelijk zijn geworden door werk of opleiding, met een maximum conform lid 3. Het meerdere wordt in het daaropvolgende jaar uitbetaald, mits de persoon uitkeringsonafhankelijk is en met een maximum conform lid 3. 8. . Dit artikel treedt in werking per 1 maart 2021 en is tot 31 december 2022 van kracht. 9. . Het college stelt een overgangsregeling in voor de opgebouwde premie in het experiment met de bijstand voor personen onder de 27 jaar die per 1 maart 2021 niet volledig uitkeringsonafhankelijk zijn geworden door werk of opleiding en die geldt tot 1 januari 2022. Indien de persoon onder 27 jaar op 1 januari 2022 niet is uitgestroomd uit de bijstand naar werk of opleiding, vervalt per deze datum het recht op de opgebouwde premie in het experiment tot 1 maart 2021. Per 1 januari 2022 wordt de premie, inclusief het recht op de opgebouwde premie in het experiment, gemaximeerd tot het dan geldende wettelijke vrijlatingsbedrag.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel