Het aflossingsbedrag wordt meegedeeld in de beschikking en geldt als de opgelegde betalingsverplichting. Het aflossingsbedrag, dat met belanghebbende op grond van een minnelijke regeling tot stand is gekomen, geldt ook als een opgelegde betalingsverplichting.
Bij verrekening of invordering van openstaande vorderingen wordt de volgende betalingsvolgorde aangehouden:
teruggevorderde belaste bijstand van het lopende jaar, waarover per 1 januari van het nieuwe jaar nog loonheffing teruggevorderd kan gaan worden;
boete;
alle overige vorderingen te beginnen bij de oudste vorderingen.
Vorderingen worden voor zover mogelijk via (pseudo)verrekening met (lopende) uitkeringen geïncasseerd.
Voor zover verrekening niet mogelijk is, wordt aan de belanghebbende een betalingstermijn van zes weken voor de betaling van de volledige vordering(en) gegund conform het bepaalde in artikel 4:87 van de Algemene wet bestuursrecht.
Bij verhuizing buiten het gebied van SDOA zullen alle openstaande vorderingen, worden verrekend met de nog te betalen uitkeringen, inclusief vakantie-uitkering
Op verzoek van de belanghebbende kan een betalingsregeling worden getroffen als terugbetaling binnen de gestelde termijn, gelet op de financiële omstandigheden van belanghebbende, redelijkerwijs niet mogelijk is.
Het verzoek om een betalingsregeling wordt afgewezen voor zover de belanghebbende beschikt over vermogen dat, gelet op de omstandigheden van belanghebbende, redelijkerwijs te gelde gemaakt kan worden. Bij de bepaling van het vermogen kan artikel 34, tweede lid, van de Participatiewet buiten toepassing worden gelaten.
Het aflossingsbedrag voor het terugbetalen van een vordering, niet zijnde vorderingen ontstaan als gevolg van schending van de inlichtingenplicht, wordt bij uitkeringsgerechtigden en bij belanghebbenden die uitstromen naar werk, op 6% van de toepasselijke netto grondslag of uitkering vastgesteld. Dit aflossingsbedrag mag echter nooit hoger zijn dan het verschil tussen de (bijstands)norm en de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Het aflossingsbedrag voor het terugbetalen van een vordering, niet zijnde vorderingen ontstaan als gevolg van schending van de inlichtingenplicht, kan bij uitkeringsgerechtigden op 10% van de toepasselijke netto grondslag vastgesteld worden op het moment dat er door derden beslag gelegd wordt op de uitkering, maar nooit hoger dan het verschil tussen de (bijstands)norm en de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c,475d en 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Het aflossingsbedrag voor het terugbetalen van een vordering die is ontstaan als gevolg van schending van de inlichtingenplicht en voor de bestuurlijke boete op grond van artikel 18a van de Participatiewet, wordt gedurende maximaal drie jaar bepaald op dat deel van het inkomen waarmee de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt overschreden. Is de vordering na afloop van deze periode nog niet voldaan en heeft belanghebbende gedurende drie jaar aan zijn aflossingsverplichting voldaan, dan kan op verzoek het aflossingsbedrag conform het op belanghebbende van toepassing zijnde lid van dit artikel worden aangepast.
Het aflossingsbedrag voor het terugbetalen van een vordering wordt bij belanghebbende die geen uitkering meer ontvangt en niet is uitgestroomd naar werk, vastgesteld op 50% van het positieve verschil tussen het besteedbaar inkomen per maand (inclusief vakantiegeld) en de toepasselijke netto grondslag. Dit bedrag wordt vermeerderd met de aflossingscapaciteit van 6%, behorend bij de toepasselijke netto grondslag.
Van het vaststellen van het aflossingsbedrag zoals in de leden zeven tot en met tien van dit artikel beschreven ziet het college af indien met de belanghebbende een minnelijke regeling voor de betaling van een vordering wordt afgesproken, die naar het oordeel van het college acceptabel is gezien de persoonlijke en financiële omstandigheden van belanghebbende.
Bij het bepalen van het inkomen is artikel 31, tweede lid, van de Participatiewet van toepassing. In aanvulling daarop wordt ook de inkomenstoeslag op grond van de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet niet tot het inkomen van de belanghebbende gerekend.
Als er bij de beëindiging van de uitkering nog vorderingen open staan, wordt de debiteur gevraagd binnen 2 weken te betalen, tenzij de inning daarvan aan een andere organisatie is opgedragen.
Artikel 12.
Verplichtingen met betrekking tot de invordering
Onderdeel van Beleidsregels Terugvordering en Verhaal 2015 en volgende jaren